Je suis Charlie


Juli 1995 ontplofte er een bom in een metrowagon in het metrostation Saint Michel, centrum Parijs. Het was op een dinsdag, 26 juli, een vakantiedag. Er vielen acht doden en meer dan 86 gewonden.

Wij hoorden de berichten ’s ochtends 27 juli op de radio in ons vakantiehuis. Door het keukenraam keek ik uit op de ruime driesprong die als centrum van ons piepkleine dorp dienst deed. De slager was gearriveerd; het was ongeveer negen uur.

Uit het dorp kwamen de vrouwen aanlopen om vlees te kopen. Ze waren hoogstens met z’n zessen want méér permanente bewoners had het dorp niet. De vrouwen schaarden zich in een halve cirkel vóór de mobiele slagerswinkel. Telkens werd er één van de vrouwen bediend.

Toen de slager vertrokken was, bleven de vrouwen in gesloten formatie staan. Ik kon ze niet zien praten. Ik zag nauwelijks gebaren of bewegingen. De vrouwen bleven als bevroren staan tot de midi. Ineens schrokken ze op; het eten moest op tafel.

Ik had mij niet in het gesprek durven mengen. Misschien wist ik niet goed wat te zeggen.

Een paar dagen later dronken we een aperitief met de twee oudere echtparen, onze buren aan de driesprong. Dat was altijd een vrolijk ritueel: een pastis als prelude op de maaltijd. Soms kwam er vóór de pastis een fles Sancerre op tafel. In dat geval was er iets te vieren of te gedenken.

Deze julidag stond de Sancerre klaar op tafel. Nee, er was niets te vieren en er viel ook niets te herdenken, althans niet iets wat nog niet herdacht was. Maar gaandeweg het gesprek begon het mij te dagen.

De vier buren praatten over hun kinderen en kleinkinderen en die van hun dorpsgenoten. Al die familieleden waren in Parijs. Ze woonden er, ze studeerden er, ze werkten er of ze groeiden er op.

In het dorp, een stel boerderijen en huizen in het groen, zonder winkels, dokters, banken, waar veeteelt en landbouw krompen als een afnemende maan, woonden geen jonge mensen. La France profonde, het diepe Frankrijk, had ze geen bestaan te bieden. Telkens als ik het dorp naderde, hoorde ik het liedje van Yves Duteil ‘Le village endormi’. Het is een weemoedig liedje met de vraag ‘Waar zijn de mensen?’ en het antwoord ‘Ze zijn sinds lang vertrokken omdat hier niets op hen wacht.’ In ‘ons’ dorp gold dat voor alle dierbaren van de bewoners. Die waren er niet meer thuis. Ze kwamen er op bezoek zolang er nog ouders leefden.

Af en toe, op vakantiedagen, wandelden de dorpsbewoners ’s avonds voor het eten en zondags na het middageten met logerende kinderen of kleinkinderen door het dorp. Ze deden de straat en alle zijweggetjes aan alsof ze wilden zeggen: kijk de kinderen, ze bestaan echt.

Ik begon het te begrijpen. De Sancerre kwam niet voor niks op tafel. Er was wel degelijk wat te gedenken. Onze kinderen, onze kleinkinderen zijn er nog, toostte men woordeloos.

De Sancerre, de mooiste en duurste uit de kelder, diende als bezwering van de angst om redeloze, rampzalige moord. Je kunt je nergens verstoppen voor bommen en geweren, zei een van de buren. Hier wel, zei de ander, hier ben je als vanzelf verstopt. Maar hier kunnen ze niet bestaan, onze kinderen, zei niemand van de vier.

Vandaag dacht ik aan die nu heel oude mensen. En ik dacht aan hun kinderen en kleinkinderen in Parijs. Ze staan vast en zeker op de Place de la République met een bordje: je suis Charlie. En dat betekent ‘ik ben Charlie’ én ‘ik volg Charlie’.

Die dubbele kracht kan ons helpen onze overtuigingen niet aan onze angst te verliezen.

Advertenties


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s