Literaire vergankelijkheid


Misschien flitste Marita Mathijsen een allusie op Couperus’ romantitel door het hoofd toen zij haar standpunt over het uitgeven van klassieke romans herzag. Want zoals oude mensen, zijn ook oude boeken, de dingen, die voorbijgaan.
Ze betreurt het, vertelt ze in de Volkskrant. Oude literatuur en de grote klassieken worden niet of nauwelijks gelezen en zelfs studenten Nederlands beleven steeds minder plezier aan schrijvers als Couperus en Multatuli.
Voor Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, betekent die constatering een persoonlijk keerpunt. Marita, gespecialiseerd in de negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur, verwerpt de doctrine dat romans en gedichten van overleden schrijvers en dichters niet ingekort of hertaald mogen worden om het werk makkelijk leesbaar te maken.
Mathijsen was een autoriteit op het gebied van ‘schone, strenge’ heruitgaven. Ze schreef het gerespecteerde handboek editiewetenschap ‘Naar de letter’.
Ik volgde werkgroepen editiewetenschap bij haar en was onder de indruk van haar precisie en tegelijkertijd haar wijde, flamboyante blik op literatuur. Dat levendige en liefderijke literaire inlevingsvermogen heeft nu geleid tot een pragmatische stellingname.
Marita Mathijsen verkiest de luie lezer boven de niet-lezer om oude literatuur van de vergetelheid te redden. Ze verwerpt haar standaardwerk en propageert alle manieren om klassieke werken aantrekkelijk te maken. Je mag ze in begrijpelijk Nederlands herschrijven. Je mag ze inkorten. En zeker zou je er mooie tv-series of films van kunnen/moeten maken.
Alle argumenten die Marita aanhaalt, kan ik billijken. Nee, je kunt leerlingen en studenten niet dwingen. Ja, de rijkdom van oude literatuur zou binnen ons gezichtsveld moeten blijven. En nog eens ja, ‘onbereikbare’ teksten zou je boeiend moeten maken.
Toch blijft er iets hardnekkig knagen bij mij. Natuurlijk kun je literaire teksten moderniseren. Maar het snoeien van ‘alle uitweidingen en bijzinnen uit vroeger eeuwen’ omdat het vlugger moet, doet mij pijn.
Wie begrijpt de ontluikende geest van opvoeding en emancipatie in Sara Burgerhart als je niet naar de waarschuwingen van Betje Wolff en Aagje Deken wilt luisteren? Wie wil er nou De familie Stastok van Hildebrand zonder het venijn in de tussenzin? Hoeveel korter moet de doodssnik van Piet Paaltjes? Wie kan de familiekluwen van Couperus ontwarren als de personages niet voortdurend visite lopen? Wie begrijpt kwellend onrecht als je nooit de revolterende redeneringen van Multatuli aandurft? En nog wat stapjes verder. Moeten De Balzac, Austen, Goethe, Dickens, Tolstoj, Dostojevski, uitgebeend worden tot het skelet van de roman overblijft: een blote fabel met vermaakte kleren aan?
Normaal gesproken ben ik wars van het snijden in andermans teksten. Ook omdat je gewild of ongewild de betekenis geweld aandoet.
Als schrijfster van de biografie van Jacob van Lennep weet Marita Mathijsen dat heel goed. Het was Van Lennep die de eerste publicatie van Multatuli’s Max Havelaar met verminkende ingrepen afzwakte om politieke ophef te smoren.

Maar er is nog iets anders. Veel lezers houden ook niet van uitweiding en van brede penvoering in de actuele literatuur. Boeken mogen alleen dik zijn als het om populariserende of spannende verhalen gaat; verhalen om het verhaal. Ik ga toch geen uren in het hoofd van een psychiatrische gek zitten, zei iemand mij over de roman ‘Kwaadschiks’ van A.F.Th. van der Heijden.
En daar stuiten we op de literaire pijn. Jeroen Vullings schreef erover in het artikel ‘Hoe vaak missen romans tegenwoordig niet een eigen stem?’. Vele lezers en critici verafschuwen woordkunst en taalbarok; het moet kaal en efficiënt. Zuinigheid is het algoritme voor leesbaar literair prestige. ‘Geen woord te veel’ luidt de orthodoxe wet ook al zoekt de schrijver een vorm die de menselijke komedie in haar waanzin en absurditeit kan verbeelden.
Jeroen Vullings neemt als voorbeeld de kritiek op Pieter Waterdrinker. Die schrijft onbeschaamd barok volgens velen. Vullings neemt wraak met het citaat van een zin van Waterdrinker: een twee paginalange ode aan de (Russische) steur. Zoveel impressionistische Russische geschiedenis beneemt je de adem, in schoonheid en diepte; een Antonius visioen is er niks bij.
Zou zo’n zin voor de luie lezer geschrapt moeten worden, vraag ik me af.

Op dit moment lees ik ‘Groene Heinrich’ van Gottfried Keller, een roman in vier boeken uit 1854/55, in 2016 voor het eerst in het Nederlands vertaald. De vertaler roemt het werk als een grootse klassieker die nog steeds op eigen kracht de lezer bereikt. Ik zeg het hem van harte na ook al ben ik pas halverwege.
’Groene Heinrich’ staat bol van uitweidingen. Over slechte onderwijsmethodes, over de wraak van leerlingen op hun geminachte leraar, over een bizar begrafenisfeest, over de schilder/drukker die ‘kinderlevens verbruikt’ om fabrieksmatig prenten te produceren, over de komst van de lente in bloem na bloem, over het ongelofelijke van geloof, over democratie, over de angst om liefde te bekennen, over het tracé van een nieuwe weg. De uitweidingen krullen zich als ornamenten, guirlandes, festoenen om Heinrichs verhaal. Ze brengen me in verrukking misschien wel méér dan het verhaal.

Waarschijnlijk ben ik conservatief of ouderwets of allebei. Ik ben er oud genoeg voor. Daarom hoop ik op een compromis. De luie lezer mag zijn versie krijgen maar ik wil de mijne behouden. Al besef ik dat er verhalen en gedichten zullen zijn die voorbij zullen gaan en alleen in historische bewaring zullen blijven bestaan. Vergankelijkheid gaat aan niets of niemand voorbij tenslotte.

Advertenties

2 reacties on “Literaire vergankelijkheid”

  1. thrammy schreef:

    En dan pak je weer eens heerlijk uit met een scherpe, eigenzinnige, maar alleszins prachtige literaire verhandeling. En met een waar loflied op de literatuur. Je gaat meteen de diepte in en toont je fantastische kennis van zaken. Je kent je klassieken en je laat ons zien dat je ze met groot plezier hebt gelezen. Prachtig is dat.

    De kwestie op zich is een regelrecht dilemma. Schrikken we onze tere kinderzieltjes af met de grote, uitgebreide originele versie, of gaan we mee in het steeds verder verwennen van onze studenten door het aanbieden van een uitgeklede variant? Eisen we dat ze zich de moeite getroosten van het zware werk of komen we de lezers tegemoet met de klassieke werken in een moderne, aangepaste versie in de taal van onze tijd? Ik weet het niet. Soms, in het Oud Nederlands bijvoorbeeld, heb ik veel last van die oude taal. Ze staat zo ver van mij af, ze leeft niet meer, veel ontgaat me ook. Iets wat ik ook wel heb als ik een boek lees in een vreemde taal. Maar deze bloemrijke taal is natuurlijk ook al een historisch juweel op zich. De auteur heeft het zo bedacht en zou natuurlijk graag willen dat zijn verhaal op deze manier tot ons komt.

    Ik denk dat studenten Nederlands zeker de originele versie zouden moeten lezen. Maar om verdere ‘ontlezing’ in deze jachtige tijd te voorkomen, zou er m.i. vooral voor jeugdigen ook een moderne versie beschikbaar moeten zijn.

    Dank je voor deze mooie verhandeling en veel succes met je Grüne Heinrich.

    Hartelijke groet!

    Like

  2. Kantelpunt schreef:

    Ja natuurlijk moeten bepaalde weken gemoderniseerd worden. Anders komen jongeren nooit meer toe aan het lezen van ouder werk.
    Maar men moet ook moeite doen. Ik las in de VK een artikel van Sebastien Valkenberg (filosoof) die stelde dat leren lezen vooraf gaat aan het plezier hebben in lezen en wat je leest. Dat is een waar woord. Leesvaardigheid is een primaire voorwaarde (het dient bovendien vele andere doelen) en het ontwikkelen daarvan zit niet in de pretversie van onderwijs wat nogal eens opgeld doet in de huidige werkelijkheid.
    Dan is er nog wat anders. De boven ons gestelden benadrukken alsmaar dat we ons bezig moeten houden met onze ‘glorierijke geschiedenis’. Ik ben wars van nationalistische verheerlijking van onze gouden eeuw, laat ik dat eerst zeggen. Maar als wij in onze geschiedenis een bron zien om iets te leren over onszelf en onze gemeenschap, zit die bron dan ook niet in de historie van de literatuur?
    Ik begrijp dat niet iedereen natuurlijkerwijs onze middeleeuwse teksten leest maar je kunt er wel over vertellen en laten zien hoeveel moois, leerzaams, nuttigs, interessants in deze teksten te vinden is. En menselijk dat vooral. De gedachten over de geworpenheid van de mens en zijn strijd om het bestaan zijn echt niet uitgevonden in onze tijd.
    In elk geval lijkt het dwaas dat studenten Nederlands de originele versies van onze klassieken niet meer willen of kunnen lezen. Misschien moeten zij een andere studie kiezen.
    Nog even over de ‘Groene Heinrich’:wat een fantastisch boek. Na drie van de vier boeken ben ik onder de indruk van zoveel epische kunst versmolten met ideeën over geestelijke en politieke en culturele werkelijkheid.
    Bedankt voor je reactie. Het is mooi dat meer mensen nadenken over dit gevoelige vraagstuk.
    Hartelijke groeten

    Like


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s