Te oud voor sensitivity



Of ik ‘woke’ ben, vraagt de mevrouw aan de telefoon. ‘Woke’, vraag ik, even zoekend in mijn vocabulaire. Van die beweging, weet u wel. O ja, daar had je weer zo’n woord dat uit zijn familie weggelopen is. Het wil niks meer met ‘wakker worden’ te maken hebben. Het heeft zich verheven; het betekent nu actief knokken bij racisme, ongelijkheid, onrechtvaardigheid. Heilige huisjes slopen waarin kleur, ras, vrouw en lhbt geen onderdak hebben gevonden.
Ik solliciteer naar de functie van sensitivity lezer. Lezen is mijn vak en na globaal lezen, verkennend lezen, indicerend lezen, zoekend lezen, informerend lezen, kritisch lezen, en close reading van gedichten ben ik toe aan iets nieuws.

Gevoeligheidslezen; dat klinkt veelbelovend.
Het eist inzicht, zegt mijn telefoonmevrouw en hart en ziel en vooral diepe, diepe empathie. Daarom moet ik een toelatingstoets doen voordat we verder kunnen praten.

Met een beveiligde link krijg ik de Toets Bekwaamheid Sensitivity Lezen op mijn scherm. Twintig open vragen want met ja en nee krijgen ze iemands sensitivity-gehalte niet spits.

  1. Joost van den Vondel ‘prins der dichters’ was een man van zijn tijd. Hij bezingt de koloniale macht in de republiek dat het een lieve lust is en hij is dol op zeehelden. Moeten we zijn werk niet eens uitkammen voordat we hem de eeuwige patronage over de stad Amsterdam toevertrouwen?
  2. In de vertaling van Dantes Goddelijke Komedie (1321) heeft de uitgever in deel 1, de Hel, de naam van de profeet Mohammed geschrapt om geen boze geesten wakker te maken. Onderschrijft u deze manier van preventieve pacificatie?
  3. Gelukkig zijn Sjors en Sjimmie uit kinderland verdreven. Maar nog altijd hebben we de vader en moeder-cultuur van Annie M.G. Schmidt. Zou Annie het erg vinden als we hier en daar in haar werk een moeder en moeder-gezin of een vader en vader-gezin inbouwen?
  4. Akwasi zegt dat de rappers Tupac en Kendrick Lamar de Shakespeares van onze tijd zijn. Wilt u ze, zoals Akwasi vraagt, dezelfde literaire erkenning geven?
  5. Lanceloet van Denemarken uit de veertiende eeuw, ons mooiste abele spel, een van de vier oudste toneelspelen uit de Westeuropese letterkunde, blijkt een ‘verkrachtingsscène’ te bevatten. Moeten we Lanceloet uit het Hulthemse handschrift scheuren?
  6. Sociale Charles Dickens beging flinke misstappen met Fagin de jood in Oliver Twist, met Mrs. Jellyby de bespotte weldoenster van Afrikaanse kindertjes en met de schildering van primitieve misdadige Amerikanen in Martin Chuzzlewit. Zeker, Dickens getuigt in American Notes tegen de slavernij maar is zijn ‘Englishness’ wel vrij van racisme?
  7. In de komedie Moortje (1615) van Gerbrand Adriaenszoon Bredero wil een koopman zijn geliefde, een hoerenmadam, de slavin Moortje schenken. Schrappen we Moortje uit onze literatuur en misschien héél Bredero ook al was de kluchtige, dartele dichter met zijn treurige minnezuchten de lieveling van de goden?
  8. Gustave Flaubert, Honoré de Balzac, Guy de Maupassant doorschouwen de zieleroerselen van een Emma, een Julia, een Jeanne tot op de bodem van hun bewustzijn en misschien wel onderbewustzijn. Hoe zouden mannen die diepe gronden hebben kunnen vinden?
  9. August Strindberg, grote schrijver, grote dramaturg, was misschien ook een maniak, een vrouwenhater bezeten van psychische obsessies. In Verweer van een gek klaagt hij, als bedrogen echtgenoot, zijn vrouw aan, en geeft haar grievend de schuld van hun huwelijksdrama. Moeten dergelijke boeken voorzien worden van een waarschuwing: kwetsend voor vrouwen?
  10. Zelfs de vorstelijke Shakespeare ontkomt niet aan stereotyperingen. Hoe logisch is de zwarte indentiteit van Othello in de Venetiaanse bestuurselite? Hoe past hem zijn razende jaloezie? Kon William Othello wel als mens begrijpen?
  11. Marcel Proust hield zijn homoseksualiteit geheim maar tekende de kleurigste homoseksueel van de belle epoque en de vrijmoedigste verdediging van het homoseksuele leven. Praktisch overal vermijdt Proust het woord homoseksueel. Zou men zijn verbloemende woorden gewoon moeten vervangen door het naakte woord homo?
  12. Amanda Gorman, van de gele jas, liet contractueel vastleggen dat bij een vertaling van The Hill We Climb drie sensitivity readers betrokken moesten zijn. Onze Marieke Lucas Rijneveld legde de vertaalopdracht neer maar antwoordde met Alles bewoonbaar, een waarachtig en meeslepend gedicht. Spot Rijneveld daarmee, verkapt weliswaar, met Amanda’s sensitivity eisen?
  13. De universiteit van Leicester wil de gedichten van Geoffrey Chaucer verbieden. De gedichten van Chaucer, oerdichter van de Canterbury pelgrimsverhalen uit de veertiende eeuw, scoren niet op diversiteit. Wordt de diversiteit wel recht gedaan met hedendaagse drillrapperpoëzie en songteksten van Bob Marley in het leerplan?
  14. Multatuli toonde zich in 1863 weinig enthousiast over de afschaffing van de slavernij. Tegelijkertijd staat hij op het voetstuk van koloniaal onrechtbestrijder. Moeten wij Multatuli’s teksten hier en daar toelichten op bedrieglijk idealisme?
  15. De liefde van de oudere intellectueel Humbert voor het twaalfjarige nymfomane verleidstertje Lolita mag lyrisch verheven zijn maar kan erotisch behoorlijk schokkend werken. Verbannen we Lolita uit de wereldliteratuur of krijgt zij een bijsluiter?
  16. Louis Couperus probeert de mens te doorgronden in Indische romans, familieromans, historische romans. Hoe hij mensen ziet? Couperus had niks met feminisme omdat de natuur de onderwerping van de vrouw aan de man gebiedt. Ook verborg hij zijn homoseksualiteit in een huwelijk met zijn achternicht. Kunnen we Couperus’ psychologisch inzicht wel vertrouwen?
  17. Lale Gül en Erdal Balci hangen de vuile was buiten van het Turks-Nederlandse milieu, traditionalistische Erdoganlovers zeg maar. Moeten wij de roep van de schrijvers om vrijheid, verlichting, verlossing ondersteunen of moeten wij hun woorden eufemistisch overschilderen om de vrijheid van de conservatieve moslim niet te beledigen?
  18. ‘Er is een grote norse neger nedergedaald’ in het gedicht van toonzettende Vijftiger Lucebert. Is dat gewraakte n-woord onhoudbaar ook al lijkt de poëticale context het woord goed te praten?
  19. In Amerika klinken stemmen om Philip Roth, één van de geniaalste moderne romanciers, te cancellen. Zijn minachting voor vrouwen en zijn fascinatie voor de vrouw als seksueel dier moeten afgerekend worden. Wat denkt u, schieten Cremer, Wolkers en Van der Heijden ook te kort in respect voor vrouwen?
  20. Over Haasses Oeroeg is heel wat inkt uitgestort. Naast het gekissebis over haar koloniale standpunt staat er nog steeds de vraag naar haar inlevingsvermogen. Zou een vrouw zo’n ongewone vriendschap tussen de Nederlandse jongen en de ‘inlandse’ jongen Oeroeg kunnen invoelen?

Twintig maal een non-dilemma. Het kostte me hoofdbrekens, slapeloze nachten en eindeloos gesteggel met mezelf.
Ik ben gezakt moet ik u zeggen. Overtuigend. Een beoordelingscijfer zat er niet in. Over de uitslag kon niet gecorrespondeerd worden.
Wel zei de telefoonmevrouw dat ik mijn leeftijd tegen had.


Prelude op Stemvorken van A.F.Th.

Een nieuwe lente maar het nieuwe geluid dat Gorter ons toefluistert is een roman. Het is de roman Stemvorken van A.F.Th., vanaf 25 mei voor iedereen te lezen. De roman is het achtste deel in de romancyclus De tandeloze tijd. De uitgever kondigt de roman aan met een tipje geboortegeschiedenis: Stemvorken zou een erotische novelle worden maar groeide uit tot een roman over de liefde en over verval binnen de fabel van een lesbische liefdesgeschiedenis.
En een grote verrassing: in Stemvorken zijn personages uit Van der Heijdens tweede romancyclus binnengeslopen.

Ik ben zo gelukkig om een voorproefje van de roman te krijgen in de vorm van een bloemlezing fragmenten samengebracht als De stemvorkligging. Al in de eerste alinea scheept de schrijver me op met een paradox waarmee ik de liefde van Zwanet Vrouwdeunt en Corinne Suwijn zal moeten bezien. Is verliefd de verhevigde vorm van liefhebben als woorden als ‘verwassen’ en ‘verongelukken’ in hun voorvoegsel ‘ver’ juist neergang en ondergang aanduiden?

De roman zal het me tonen. Nu, in de fragmenten zie ik slechts de fel opvlammende verliefdheid tussen twee vrouwen: de vrouw van Albert Egberts en haar vriendin ooit geliefde van Albert en nu in scheiding met Hans Krop de vroege jeugdvriend van Albert. 
De liefde stijgt de twee vrouwen boven het hoofd. Waar gaan ze naar toe?Zullen ze opnieuw samen Albert als minnaar delen? Kiezen ze voor een soort ‘marriage à trois’; dus af en toe Albert in liefde dienen maar verder vooral elkaar? Of blijven ze in schuldgevoel met elkaar vrijen omdat die wroeging de liefde des te zaliger maakt?

Het idee driehoekshuwelijk kennen we. Het beheerst Kastanje a/d Zee, het zevende deel van De tandeloze tijd dat A.F.Th. ter gelegenheid van zijn vijfenzestigste verjaardag, bibliofiel, voor een beperkte groep lezers reserveerde. Het is zijn dierbare en lang gekoesterde verhaal, bedoeld als een erotische studie van liefdesjaloezie in al haar bizarre streken.
Ook indeze roman staan Albert en opschepperige, altijd rivaliserende, Hans tegenover elkaar, maar nu in de verovering van Marike de Swart. Albert ziet Marike, die hem ooit van zijn impotentie heeft verlost, als zijn praktisch onvervreemdbare, eeuwig gehechte geliefde. 
Albert is jaloers op iedereen die in haar buurt komt. Hij drijft Marike zelf in de armen van Hans Krop. En dan, om zijn verzengende jaloezie te vernietigen, dwingt Albert een soort ‘marriage à trois’ af in wat hij een ‘trojka’ noemt.

Lees de rest van dit artikel »


Hair



Hair of: hoe ik Rutte uit mijn hoofd krijg

Op woensdag 31 maart en donderdag 1 april heb ik veel geleerd.

Ten eerste
God bestaat niet. Als hij wel bestond, zou hij een leugenaar boven ons gesteld hebben en dat kan geen enkele god zich permitteren.

Ten tweede
Het spel van formeren gaat altijd gepaard met viezig gekonkel over die mag of wil ik wel en die mag of wil ik niet.
Dat heet zaken doen. Dat moet ook gebeurd zijn toen de koningin het baantje van informatie nog had. Maar het paleisgeheim hield al het onsmakelijks binnenskamers. Voor het eerst hebben we kunnen zien hoe er wordt afgerekend met een volksvertegenwoordiger die onrecht en wanbeleid durfde te bestrijden.

Ten derde
Mark Rutte staat te stampvoeten om zijn baan te houden. Want zijn baan is zijn leven. ‘Dat ik dit mag doen’ is langzaam geschift tot: ‘Ik heb er recht op dit te doen.’
Rutte begint aardig op de Wit-Russische Loekasjenko te lijken die zijn zesde termijn als president verdedigde met de gevleugelde motivatie: ‘omdat ik niet weet wat ik anders moet doen’.
De Tweede Kamer heeft het stampvoeten van een verwend kind gehonoreerd.

Wat ik al wist: Rutte heeft weinig humaan gehalte. Als je Ayn Rand je favoriete filosofe noemt (zie kantelpunt Randfiguur 10-11-2011) en je idolaat de schrijver van de biografie van Lyndon B. Johnson aan de lippen hangt, dan tekent zich een naar profiel af. Rand is de moeder van een bijna fascistisch kapitalisme en Johnson is de pathologische leugenaar die, aldus Robert Kennedy, nog loog als er niks te liegen viel.

Mijn remedie vrijdagochtend 2 april was Hair, de musical, de Amerikaanse versie natuurlijk, want die is de beste (hardnekkig twistpunt in mijn jeugd).
Wat Hair met Rutte te maken heeft? Niks, helemaal niks. Maar Hair, snoeihard, bevecht mijn mieze stemming. En trouwens in Initials komt de cynische tirade voorbij die de LSD-jeugd regelrecht verbindt met LBJ, USA, FBI, CIA, kortom met het maatschappelijk chagrijn van die tijd.
Hair is misschien het trapveldje van mijn maatschappelijk chagrijn maar wel met Frank Mills, het ontroerendste liedje aller tijden.
Misschien is er toch een uitweg uit Rutteland.


Literaire strijd van Lale Gül

Voor Naima El Bezaz

† 7 augustus 2020

De debuutroman Ik ga leven van Lale Gül heeft me overdonderd.

Ik zag de Turks-Nederlandse 23-jarige auteur en studente Nederlands voor het eerst in een televisiegesprek. Ze legde haar pen neer, verklaarde ze, want vele stamgenoten hadden haar de oorlog verklaard.
De veroordeling van Gül is op alle media te volgen. Burgemeester Halsema houdt haar bescherming scherp in de gaten omdat, zegt ze, Amsterdam altijd plaats aan vrijdenkers heeft geboden.
Dat Spinoza, onze grootste vrijdenker, door zijn eigen joodse kring in de ban is gedaan, blijft een lelijke rafel aan onze mooiste illusie. Het Nederland van vrijheid, democratie en kansen, kent nog steeds kringen vanreligieuze/identitaire orthodoxie waarin eigen waarden de grondwettelijke vrijheden onbereikbaar maken.Lale Gül is doelwit geworden van dat nauwelijks informele ‘gezag in eigen kring’.
Een Turkse online-krant roept haar tot vijand van de Islam uit. Sociale media lopen vol met intimidaties en doodsbedreigingen. Ruim 8000 mensen tekenen het manifest Laat Lale vrij.
Lale heeft haar eigen godsvrede niet kunnen redden. Ze is verstoten door haar familie omdat ze door Wilders werd geprezen.

De roman Ik ga leven, geschreven met kamikazemoed en literaire drift, zou ik twee keer moeten lezen. Eén keer op literaire geest; één keer op sociaal-politieke betekenis.

De roman als verhaal is vol van gebeurtenissen, ervaringen, commentaar, kritiek, emotie; zó vol dat het soms duizelt. Die volheid zit ook in haar taal. Gül versiert haar woorden met zware adjectieven en soms is een woord te chique of te belegen voor de gelegenheid of schiet het de bedoeling voorbij. Haar zinnen, verwikkeld in vergelijkingen, aforismen en strijdkreten, lopen hier en daar in een strik. Misschien wil Gül zich met grote taal afzetten tegen haar praktisch analfabete ouders of wil ze zich bewijzen tegenover de mensen die haar literaire ambitie zullen beoordelen. Maar als ik verder in Güls verhaal kom, begrijp ik beter dat de overladen woorden en grammatica de adem voortbrengen om een onzegbaar verhaal zegbaar te maken. Dan ontplooit zich een vertellersinstinct. Dan laat Güls verhaal je niet meer los.

Hoofdpersoon Büsra verzet zich tegen haar Turks-soennitische milieu, tegen de verstikkende regels die ze op haar achttiende al heeft verworpen.
Büsra raast en tiert, vaak grofgebekt, door haar dagen. En dat kan ook niet anders. Ze moet voortdurend schipperen en liegen, om haar leven met studie, baantjes en verboden liefde voor Nederlandse Freek op gang te houden.
Het meisje leidt een hoofddoekleven om nog iets van haar natuurlijke banden te behouden. Ze wil haar zieke grootmoeder, die haar liefderijk steunt, verzorgen. Ze wil haar achtjarige zusje beschermen. Ze wil haar broer, die als mens met een snikkel alles mag wat zij niet mag, niet verliezen.
Maar de verhouding met haar ouders, haar verwekkers, zoals Büsra hen noemt, staat roodgloeiend. Vader en moeder heersen naar de letterlijke regels. Wie zich niet schikt, verraadt ouders, familie en de hele Turkse gemeenschap. Moeder staat voor de zwartste geestdrijverij. Büsra noemt haar niet voor niks Karbonkel. Moeder  verwenst haar dochter want Allah zal de moeder straffen voor het misdadige gedrag van haar dochter. Büsra schoffeert moeders geestelijk heil.

Büsra kan ontwikkelen dankzij haar slimheid en haar grenzeloze leeshonger. Daar tegenover staat, ieder weekeinde tot haar zeventiende jaar, de koranschool van Milli Görüs. Die moet de basis leggen voor de god die alles verbiedt en het onmenselijke oplegt. Geen leuk jurkje, geen muziek, geen film, geen feesten, geen vriendje maar wel een opgelegd huwelijk met een vrome geloofsbroeder. Tijdens de jaarlijkse verveelvakantie in Turkije in het onherbergzame dorp van moeders moeder, bekruipt Büsra de angst voor trouwbeluste jonge mannen. Niemand ziet een been in verkrachting om zo een huwelijk af te dwingen.
Uiteindelijk eist Büsra met woede en bravoure een eigen leven op. Ze verbreekt de relatie met Freek. Ze doet haar hoofddoek af.
De familie ziet het meisje als door de duivel bezeten maar de god in Büsra’s droom staat haar een eigen verantwoordelijkheid toe, tegen de regels in. ‘Ik ga leven’, antwoordt Büsra deze goede god.

Lale Gül overdondert met eerlijkheid. Ze zet de ramen wijd open en zie wat ze je toont: een afrekening met een opvoeding die geen persoonlijke ontwikkeling toestaat. Lale Gül schrijft geen onbezorgd coming of age verhaal zoals we dat zien bij vele jonge Nederlandse auteurs. De seksuele opruiing doet daar niets aan af. Dat lijkt mij geen schelmerij à la Wolkers of Cremer zoals sommigen zeggen. In Güls verhaal overheerst te veel de benauwde grondtoon van Reves Avonden.
Büsra’s opgroeien is een disciplinering naar een heilsleer; het is een strijd met de volwassen wereld voordat ze zelf volwassen is. Via deze strijd beschrijft Büsra sociaal verdriet en ongelijkheid. Ik besef dat dit thema in Nederland vooral door immigrantenkinderen in de literatuur wordt ingebracht.

Lale Gül zet een gevoelig probleem op scherp. Ze drukt dat bijna metaforisch uit in de breuk met Freek. Ze breekt niet alleen met Freek omdat ze de offers niet aankan; ze breekt vooral met Freek omdat hij, afkomstig uit een gebroken gezin en vol kritiek op het moderne individualisme, Büsra’s cultuur idealiseert. In zijn lof op ‘jullie cultuur, eer, respect, zorg van ouders’, hoort Büsra de christenconservatieve variant van haar moeder. Freek spreekt met Karbonkels woorden.

Freek kan Büsra niet bevrijden zoals de politiek dat niet kan. Waarom komen ze hier niet om mij te bevrijden? denkt Gül als de PvdA komt flyeren in de moskee. Daar zit de politieke pijn die, naar aanleiding van Güls boek, ook wordt uitgesproken door de Turkse Nederlanders, journalist/presentatrice Fidan Ekiz en de auteur Erdal Balci.
Ekiz stelt het glashelder: de PvdA trok als sociale partij de gastarbeiders aan maar kon geen uitweg bieden in hun sociale dilemma. De multiculturele inleving bleek geen reddingsboei te zijn; die hield hen vast in eigen kring.
Balci beaamt dat en wijst erop dat Turkse immigranten in Nederland conservatievere opvattingen belijden dan zij in hun land van herkomst deden; zij zoeken in Nederland verbondenheid met de moskee en inmiddels ook met leider Erdogan. In dit verband is de terugtrekking van Erdogan uit het Europees verdrag over geweld tegen vrouwen, een verschrikking, ook voor Nederlandse vrouwen.

Lale Gül staat in haar eenzame paradox. Secularisering geeft vrijheid; secularisering neemt vrijheid af.
Je zou hopen dat Gül haar pen weer opneemt om een een geitenpaadje te zoeken naar een vrijplaats achter de paradox.


Hoogopgeleid populisme


Ik moet de laatste tijd vaak aan mijn moeder denken zoals ze op winterdagen een kind of zes in de huiskamer bij de orde hield. Zit niet zo te enteren, zei ze dan. Laat hem of haar met rust. Pak je boek. Hou je bij je figuurzaag. Gun een ander een plek. Je bent niet alleen op de wereld. Mijn moeder won de orde, altijd. Met glans, met haar welhaast aristocratische nuchterheid.

In het coronagekrakeel mis ik de stem van mijn moeder. De ruzies vliegen de pan uit. Ze komen van hoog en van laag.
De inzet is duidelijk: de coronamaatregelen moeten van het tableau want de gezondheidswinst (voor ouderen) weegt niet op tegen het economisch verlies, de verstoorde ontwikkeling van de jeugd en de aanslag op het welzijn en de vrijheid van de mensen.

Interessant voor de latere beschouwer maar stuitend voor de huidige toeschouwer is het  morele appèl dat wordt ingezet om een mening te winnen.
Nog nooit heb ik zovele intellectuele autoriteiten de mensen horen kapittelen over hun menselijk falen, hun hyperindividualisme, hun zingevingscrisis, hun doorgeschoten hedonisme, hun gebrek aan maatschappelijke verantwoordelijkheid, hun angstige wegkijken van de dood.
Vooral dat laatste is de tophit om jan-met-de-pet te winnen voor een utilitaristische aanpak van de pandemie: dus die aanpak die het meeste nut oplevert voor de meeste mensen. Praktisch ingevuld betekent dat: open de maatschappij zodat de jeugd kan leren, studeren, werken, sporten en feesten en zodat de economie verder draait. 
Het woekerende virus zal de jeugd niet schaden en de ouderen en kwetsbaren kunnen zich óf wagen in het coronarad van fortuin óf ze blijven gewoon binnen.

Zeker botst deze darwinistische botte bijl tegen artikel één van de grondwet en tegen het beginsel van maatschappelijke solidariteit dat onder andere concreet wordt uitgedrukt in belastingplicht.
Maar vooral ontkracht deze gesimplificeerde aanpak  de sociaal-ethische weging die het pacificeren van moeilijke tegenstellingen vereist. De simplificatie wordt uitgesproken troebel als wetenschappers hun ‘wetenschappelijkheid’ inzetten om hun ideeën doorgevoerd te krijgen. Dat  zagen we Teulings en Baarsma doen in de actie Herstel NL en ook onze vaderlandse geestesspecialisten zoals Huijer, Helsloot, Verbrugge met hun geloofsartikelen in alle kranten.

De zenuwknoop zit tussen jong en oud. Natuurlijk ziet ieder zinnig mens de pijn van jonge mensen in de coronaklem.
Maar wie wil de bescherming van ouderen ter discussie stellen onder de toewijzing van een morele schuld? Die schuldtoewijzing luidt: ouderen zijn niet solidair met jongeren terwijl jongeren in deze crisis een enorme solidariteit naar oudere generaties opbrengen.

Eveline Crone, hoogleraar ‘Developmental Neuroscience in Society’ aan de Erasmus Universiteit lanceert deze overtuiging in de NRC van 20 februari j.l.
Crone benoemt hier solidariteit in twee verschillende gebieden. De jongeren zijn solidair omdat ze zich aan coronaregels houden. De ouderen zijn niet solidair omdat ze niet naar jongeren luisteren, omdat ze de bestaande structuren niet willen vernieuwen en omdat ze jongeren opzadelen met de crisis van de toekomst.

Deze beschuldiging is des te ernstiger omdat volgens Crone ‘de huidige generatie jongeren, in vergelijking met eerdere generaties, meer oog heeft voor anderen, inclusiever is en sterker gehecht aan gelijkwaardigheid’ uit onderzoek: World Economic Forum dus ‘wetenschappelijk’ geoormerkt.
Misschien is het waar. Maar zelfs als er méér altruïstische mensen zijn opgestaan dan nog zullen zij moeten strijden tegen de autocratie van macht, kapitaal, monetaire manipulatie, speculatie en winstbejag. Dit recht van de sterkste  hecht nauwelijks belang aan een beter milieu en een betere verdeling  van welvaart, ontwikkeling en geluk.
Jonge altruïsten zullen dezelfde machtsambities moeten bevechten als de altruïsten uit de generatie ouderen die evengoed bestaan en bestaan hebben.

Hoogleraar Crone verklaart de ouderen schuldig op een absurdistische aanklacht: de condition humaine waarin feitelijk niet te winnen of te verliezen is. De vraag is of er een straf bij de aanklacht hoort.
We hebben eerder gezien dat huidige ouderen ook op morele stemmingmakerij 20% van hun pensioenuitkering hebben verloren. En wat de coronacrisis aangaat stelt Heleen Mees plompverloren dat ‘babyboomers’ het geld en de morele plicht hebben om de jongste generatie te compenseren.
Straffen? Soms lijkt het alsof ouderen hun eigen vonnis moeten uitspreken: voilà hier is mijn bankpas en doe mij maar een euthanasietje.

Hoogleraar Crone is een van de intellectuele stemmen die ouderen eenzijdig, moreel verdacht maken in hun betrekkingen tot de medemensen. De chique redeneringen kunnen noch de polarisatie noch een nieuw soort populisme verbergen.
Die polariserende taal kan maatschappelijke ontwrichtende gevolgen hebben, waarschuwt Peter Knoope, expert terrorisme bestrijding Instituut Clingendael, op 9 maart in de NRC. Ofwel: ‘Elke suggestie dat een bepaalde groep het verdient te sterven in het belang van een andere groep is levensgevaarlijk’.
Populisme is het griezelige voorportaal van de zondebok. Misschien kunnen de nieuwe populisten eens nadenken over de maatschappelijke en menselijke schade die hun stokpaardjes teweegbrengen.

Mijn moeder zou ze ongetwijfeld tot de orde roepen.


Pijn voor gevorderden

Over de revalidatieroman van Petra Jorissen

Olga Tokarczuk leert me dat woede helder maakt, inzicht geeft, ja zelfs de bron van kennis is. Vanuit mijn opvoeding mag ik haar niet geloven. Mij is geleerd dat woede je blik vervormt, dat woede je oordeel verbastert.
Petra Jorissen gooit met haar boek Erg hè! die overzichtelijke overtuiging overboord. Hoe had zij, een geboren dwarslaesie met verlamde benen, zonder woede haar leven moeten begrijpen?
De woede van Jorissen is geen boosheid; het is waakzame dwarsheid.
‘Niet op dezelfde voet doorgaan? Dacht het juist wel’ monkelt romanpersoon Julia in de lift na een dwingend advies van de revalidatiearts. Die dwarsheid is haar kompas. Die dwarsheid neemt niemand haar af.

Het advies van de arts luidde: drie maanden Revalidatiecentrum Olympiade. Julia kreeg met het ouder worden klachten aan schouders, armen en polsen en last van afnemende lichaamsfuncties. Ze moet haar leven anders aanpakken en daar zal ze met een behandelteam aan werken.
Julia gaat het aan. Ze moet wel. Ondanks haar angsten één van hen te worden: de gedehumaniseerden, de objecten, de slachtoffers, al de schrikbeelden die nog in een getherapeutiseerde jeugd verstopt zitten.

In de Olympiade rollen en krukken de revalidanten zich tussen slaapkamers, oefenzaal, sportzaal, zwembad, een zitkamer met banken, computers en een hometrainer. Godzijdank is er een café met muziek en alcohol vanaf 5 uur ’s middags. Daar zoekt Julia haar toevlucht voor haar dagelijkse hartversterking of een schuilplaats na negenen als bedgordijnen te weinig privacy geven. Julia is het ‘vrouwtje met het opschrijfboekie’.

Het revalidatiecentrum wordt bestuurd door artsen, verpleegkundigen, ergotherapeuten, jonge blonde fysiotherapeuten en strikte regels.
Hoofdprogramma is therapie: oefenen, oefenen, oefenen. Oefensuccesjes zijn de carrièrestappen van de revalidant.
Julia ziet zichzelf terug. Ze ziet het twaalfjarige kind dat moest leren lopen met ijzeren beugels en leren corset. Ze hoort het opzwepende regiem van: ik móet, ik zál, ik kán, ik wíl. Juffrouw Martina moedigt haar aan: lamme kinderen moeten niet klagen maar leren verdragen want anders bereiken ze nooit iets.

In het heden van de Olympiade zitten vooral verse dwarslaesies. Ze trekken als een bonte stoet voorbij. Mannen en vrouwen, gevarieerd in klasse en kleur, geteisterd door ongelukken, mislukte operaties, ziekten, amputaties, uitgezaaide kankers.
Ze praten niet al te veel over zichzelf maar hier en daar lekken de emoties naar buiten. Het gaat over pijn en ongemak, relaties en seks, het eeuwig wachten op voorzieningen en hulp. De vele gevalletjes van zwa ka. 
Soms hoort Julia het aan. Soms loopt ze er voor weg. Met Johan, haar bedbuurman, een lezer zoals zij, beleeft Julia zijn melancholische ‘nadagen’ tot hij naar huis gaat. Dan mag hij lekker euthanasie doen, zegt buuf Bettie volkomen echt en goedbedoeld nu ze weet wat pijn is. 
Het bewustzijn van onoplosbare pijn wordt verdoofd met snacken, met snoepparty’s, met lachgas, een sigaretje in het rookhok, drugs misschien, spirituele healing en ‘ober nog een rondje.’ Julia mag zich graag vergeten in gesprekjes over mooie lipstick, een nagellakje, een bloesje. Damespraat staat voor levenslust, voor de stap naar de wereld

De Julia uit de roman, en ongetwijfeld haar schrijver, is niet meer in verzet tegen de handicap die het leven beperkt en kleineert. Maar in het geworstel van haar mede-revalidanten stuit ze op haar verzet van vroeger. Met die woede in hoofd en hart koos ze na de speciale scholen voor een gewoon lyceum, voor gewoon studeren, voor gewoon onafhankelijk wonen. De woede is geweest maar wat het vuur heeft opgestookt smeult na in onverteerbare herinneringen.
Stuk voor stuk nachtmerries zijn het. Misschien vertelt Julia die herinneringen om ze definitief op te ruimen.
Zo zegt de dokter over het vierjarig kind na de negende penicillinekuur dat moeder L. er maar niet veel kosten meer op moet maken. Ook buurvrouw vindt het maar niks dat ze aan het zevenjarige kind gaan ‘snijden’ om er nog wat van te maken. Want het kind is wild en als ze kan lopen, loopt ze maar onder een auto.
Buurvrouwen blijven een plaag in Julia’s kinderleven. Ze verstikken het ‘zorgenkiendje’ met medelijden. Later als Julia er als ieder meisje leuk wil uitzien snapt zo’n buurvrouw niet waarvoor ze moeite doet; je bent zo en je blijft zo. Rebelleren met opvallende kleren en make-up wordt de schande van de buurt. Buurvrouwen slaan de bezorgde moeder ermee om de orenZelfs mensen die het goed voorhebben verliezen een moreel decorum zoals hoofdzuster Elizabeth in het ziekenhuis. Moeder mag haar kind niet verwennen. Dan gaan ze op uw kop zitten schijten, meent de non. Gaat zij ook doen, zegt de non. Ze heeft een willetje. Dat moet u zien te breken. 
En wie zet een zevenjarig rolstoelkind tegenover een massale rolstoelvrouw, een stuiptrekkende, zwijgende vitusdans patiënt om een volwassen gebrekkig mens te ontmoeten? Als leerproces. De geschokte vader kan er geen woorden voor vinden. 

Petra Jorissen doorspekt haar jeugdherinneringen met Brabantse woorden en zinnen. Maar ze klinken niet zacht; ze brengen niets dierbaars en warms boven, zoals Guus Meeuwis graag doet.
Jorissen tekent in de mytylschool hoe het Brabant van de jaren vijftig zucht onder het paternalisme van pastoors en nonnekes en standsverschil en sociale controle. Julia wil niet naar de gebrekkigenschool. Daar moet ze naar toe, moederke, aldus de pastoor, dáár zijn ze allemaal gelijk, dáár horen ze thuis, zulke kinderen. Het is de school waarvoor koningin Juliana geen tijd heeft. Het is de school waarop de de muziekleraar de kinderen schoffeert met de Mattheüs die ze vast niet meekrijgen van thuis.
Van boven ben je goed, zegt de moeder. Toch is het niet goed genoeg; Julia moet weesgegroetjes bidden om haar beentjes te genezen.
De last van lamme beentjes word bezwaard met de angst voor een toekomst bij de nonnetjes in het gesticht. Dezelfde angst steekt op als een ‘charmante dartelende’ vrouw op de televisie Het Dorp voor gebrekkigen bij elkaar jubelt. Julia wil er niet heen. Nooit. ‘Je kunt je eigen altijd ophangen’, zegt vriendin Ireentje. ‘Dat moet jij doen als je in de val loopt.’

Nog één keer laait Julia’s verzet op. Haar oud-collega, beleidsmedewerker in een gehandicaptenorganisatie verschijnt ook voor revisie in de Olympiade. Job, een provocerende activist, wil met haar opnieuw de strijd van invalidies tegen validies starten. Samen maken ze nog even gehakt van de glamourinvalide, uitgebeeld in de film Intouchables, en dan kan Julia afscheid nemen.
Zij hoeft niet meer maar ze is blij dat Job het zaadje van validisme, de strijd om bij de mensen te horen, blijft uitplanten onder nieuwe invalidies.

‘Pijn voor gevorderden’ is een bon mot van de schrijver. De roman staat bol van zulke merktekens van relativering, afstandelijkheid en verkapte humor.
Die gladgestreken gevoelens in Erg hè! zijn vermommingen van heldhaftigheid. Iedereen zou dit boek moeten lezen. Als oefening in nederigheid. Het komt precies op tijd tussen de bombastische klaagzangen over coronablues, coronaneurose en corona-verongelijktheid.


Carry beginnen

De brief van schrijvers aan de minister-president om de boekhandels te heropenen toont het gemis van lezers. Je wilt een nieuw boek dat je aandacht heeft getrokken fysiek doorbladeren. Ik wilde het boek van Barber van de Pol over Carry van Bruggen gewoon zien.
Carry, geboren Carolina Lea de Haan (1881-1932), een van de zestien kinderen van een joods-orthodoxe voorzanger en zus van de ook opmerkelijke auteur Jacob Israël de Haan, schrijnt sinds jaren in mijn ziel. Haar belangrijkste boek, het filosofische Prometheus staat ongelezen in mijn kast en van haar romans heb ik er maar één gelezen.

Mijn ‘Lodewick’ van de middelbare school rekent Van Bruggen tot de zogenaamde ‘damesromans’ met een burgerlijk realistische thematiek al wordt Carry wel ‘de felle analyse van het eigen vrouwenleven’ toegedicht.
Menno ter Braak, de machtige literaire autoriteit, bewonderde Van Bruggen. Hij prees haar vermogen het vrouwelijk denken en de vrouwelijke zinnelijkheid met elkaar te verbinden maar plaatste haar nog steeds in het ‘vrouwenreservaat’, aldus Nelleke Noordervliet.
De vrouwenbeweging in de vorige eeuw bewees Carry van Bruggen nieuwe eer. Vooral haar roman Eva (1927), een modernistisch vormgegeven wordingsgeschiedenis van een vrouw, kreeg lovende erkenning. In 2002 werd Carry van Bruggen opgenomen in de canon van de Nederlandse letterkunde.

Elma Drayer bespreekt Van de Pol zo aanstekelijk dat ik, net als zij, meteen zin heb om het werk van Carry uit de kast te trekken. En zo download ik om middernacht een e-book van vijf verzamelde romans. Wie geeft in dit boekhandelloze tijdperk nou eens een levensgroot compliment aan deze service van de openbare bibliotheek? Bij deze.

Ik begin met De verlatene (1910) en raak geschokt door het botte, ordinaire antisemitisme in het Nederland van begin twintigste eeuw. De minachting van rijk voor arm bovendien, weerspreekt vinnig het in Nederland altijd zo klein gehouden klassenprobleem. Maar met de tweede roman Een coquette vrouw (1915) stokt de adem mij in de keel.

Het woord ‘coquette’ alarmeert. Ons ‘koket’ is wel pikant maar blijft vriendelijk; het Franse woord daarentegen staat voor onfatsoenlijke verleidster, een mannenverslindster desnoods.
De hoofdpersoon uit Een coquette vrouw, Ina, is een keurige jonge vrouw maar toch een ‘coquette’. Ina raakt telkens bevangen van een jongen of een man. Dat gevoel maakt haar euforisch, geeft haar magische energie, bevestigt haar als waardevol mens. De onbedwingbare neiging tot veroveren, is haar vloek. Wat haar opheft, die wisselende hartstocht, is de rode draad naar Ina’s ondergang. Iemand noemt haar een ‘erotomaan’. Mensen verachten haar en keren haar de rug toe. Haar man breekt het huwelijk op.
Een coquette vrouw zou onze Madame Bovary (1857) kunnen zijn ware het niet dat Emma Bovary zich bedwelmt met het rose leven uit ‘romannetjes’ en Ina naar geestelijk evenwicht zoekt in haar tobberijen over goed en kwaad, recht en onrecht, waarheid en leugen.

De roman van Carry van Bruggen speelt zich een kleine zestig jaar later af. Ina past niet in de gangbare levenssfeer, niet in haar familie, niet bij haar kennissen die nooit vrienden worden. Ze zoekt naar vervulling. Ze zoekt naar de eigen, vrouwelijke beleving van liefde en seksualiteit, een nog onbespreekbaar taboe. 
Toch is Ina’s milieu van modernisme doortrokken. De vrouwen zijn bezig met het vrouwenkiesrecht, sommige vrouwen studeren al en de ideeën van vrouwelijke vrijheid en onafhankelijkheid dringen door in praktisch gedrag.
Ina zelf drijft op haar tegenstellingen. Zo schrijft ze op aanraden van haar man verhalen en heeft daar succes mee. Maar ook lijdt ze aan depressies die meestal samenhangen met het doven van een liefde. Het gaat gepaard met apathie en schuldgevoel omdat ze toch van haar man wil houden.

Ina trouwt overhaast met Egbert. Hij zal haar beschermen tegen de ‘benepen burgerlui’. De man voelt zich verheven en uitzonderlijk. Hij spot met alles en iedereen en domineert met vernietigende oordelen over moraal, godsvolk en wetenschap. 
Ina onderwerpt zich aan Egbert. Want Egbert kent haar beter dan zij zichzelf kent. Egbert bevrijdt haar van ‘wanen en vooroordelen’. Hij oordeelt dat ze haar lessen in Grieks en Latijn moet staken en vooral niet te veel moet lezen. Schrijven mag ze; daar kan ze geld mee verdienen.
Het echtpaar ziet geen andere mensen. Egbert en Ina hebben aan zichzelf genoeg, vindt de echtgenoot.

Een coquette vrouw is op de eerste plaats een huwelijksdrama. Het is het huiveringwekkendste liefdesgevecht dat ik ooit onder ogen heb gehad. Albees Who’s afraid of Virginia Woolf steekt er bleekjes bij af, zegt Elma Drayer. Méér dan dat, zou ik zeggen. De grofgebekte, krijsende ruzie wordt in Van Bruggen een tergende, martelende, geestelijke knechting.
Ina’s flirterige vriendschap voor de zoveelste man, geeft Egbert de vrijbrief om haar definitief te breken. Hij ontneemt Ina de persoonlijke vrijheid die ze elkaar zouden gunnen. Hij hoont, sart, treitert zijn vrouw van de wereld af. Hij beschimpt haar idealen, hij ontkent haar kennis, hij kraakt haar werk af terwijl hij over de uitgave beslist.
Egbert wist Ina uit door haar te reduceren tot zenuwbuitjes en hoogmoedige majesteit, door weg te lopen voor letterlijk ieder antwoord en gesprek, door mooi weer te spelen met hun zoontje en met de buitenwereld.
Ina verliest. Egbert verlaat haar abrupt als hij een vriendin zwanger heeft gemaakt.
Ina’s verlies kan geen loutering worden. Ze wil geen vijand zijn en ze zal eenzaam verdergaan met haar kind en haar werk. Het is een ijdel voornemen.
Want ‘(…….) ze beschikte niet over zichzelf en haar eigen toekomst – leven en toekomst had ze uit handen te geven aan datzelfde Onbekende, dat ook in haar werkte en waaraan ze in de bitterste afhankelijkheid overgeleverd was…..’

Deze laatste zin tekent voor mij een andere Carry van Bruggen dan die van het filosofisch zoeken, van ideeënroman, van feministische getuigenis. Van Bruggen was trouwens geen feministe, zeker geen claustrofobische. In haar roman zet ze zich flink af tegen beuzelende en kneuterende vrouwen. Ze verzet zich even fel tegen de opgeblazen superieure man.
Met de laatste, zo navrante, zin uit Een coquette vrouw buigt Carry van Bruggen zich als bewust individu voor het lot en de last van de mens: de strijd met zichzelf en met zijn eigen tekort. 
Natuurlijk is een huwelijksramp een fragment in die stijd. Maar Van Bruggen tekent dat gevecht millimeter voor millimeter, zo openhartig en zo plat dat je niet kunt wegkijken. Bij Van Bruggen vecht niet per se man tegen vrouw of vrouw tegen man. Hier strijdt mens tegen mens. Het is een open perspectief op zenuwslopende menselijke kleinheid.

Met Een coquette vrouw kom ik niet in de buurt van de idealistische, filosofische, modernistische Van Bruggen die op Virginia Woolf zou lijken. Maar door de roman strijken als kille windvlagen de wanen en de stemmen van depressies die Virginia Woolf (1882-1941) zo hartbrekend in haar dagboeken heeft beschreven. Beide vrouwen leefden in dezelfde tijd. Carry, 51 jaar oud, nam een dodelijke dosis slaapmiddelen en Virginia, 59 jaar oud, liep het water in met stenen in haar jaszakken. Van Virginia heb ik ongeveer alles gelezen.
Ik moest maar eens verder met Carry van Bruggen


Werk van onbarmhartigheid

Het lijkt op een vergeelde negentiende-eeuwse tranenroman: christenmens neemt het op voor beproefde armoedzaaier. De armoedzaaier is de bijstandsgerechtigde vrouw die wekelijks een tas levensmiddelen van haar moeder toegestoken krijgt. De christenmens is de goedwillende Nederlander die moord en brand schreeuwt omdat die vrouw de hulp als ongeoorloofde gift in de bijstand moet terugbetalen.

De ChristenUnie is er als de kippen bij om een daad te stellen. De partij presenteert een initiatiefwet. Daarin is de gemeente niet meer wettelijk verplicht bijstandsgeld terug te vorderen en een boete op te leggen als een bijstandsgerechtigde zoiets als een tas boodschappen krijgt. Let wel: de gemeente mag vorderen (want regel is regel) maar hoeft het niet te doen (want menselijk mededogen).

Ik sta versteld van zoveel treurige hypocrisie. Deze christelijke partij, die al te graag als sluitzegel fungeert in rechtste politieke arrangementen, trekt een ontoelaatbare kaart in het spel. Die van rechtsongelijkheid via willekeur.

De willekeur om wel of niet hulp in nood te krijgen naar de stemming van de gemeente, lijkt verdacht veel op genadelijke liefdadigheid.

Marga Klompé zou zich schamen voor haar mede-christenen. Zij heeft met haar historische Bijstandswet in 1965 bewust afgerekend met de armenwet, met de vernederende armensteun van priesters, predikanten en weldoenende dames en heren.

Evengoed sta ik versteld van de burgerlijke verontwaardiging over de hardvochtigheid van de boodschappenstraf.

Alle mensen in dit land moeten meegemaakt hebben dat in de eeuwige twisten over uitkeringsbedrag, profiteren en fraude, de rechtse orthodoxie heeft gewonnen. De verlaging van de uitkering, de Fraudewet, de Partipatiewet, de jarenlange bezuinigingen op gemeentelijke bijstandsbudgetten, hebben al lang hun repressieve sporen in onze samenleving getrokken.

Het drama van de bijstand zit in de cijfers. Het niveau van de uitkering zowel voor alleenstaanden als samenwonenden is volgens het Nibud structureel te laag. Met dit bedrag komen mensen (ondanks toeslagen voor kosten die verhoudingsgewijs altijd te hoog zijn voor het uitkeringsniveau) maandelijks te kort en leven veel Nederlandse kinderen onder de armoedegrens.

Binnen de voorwaarden voor de uitkering, de kostendelersnorm en vermogenstoets, geldt onverbiddelijke teruggave van giften en verdiensten. Het niet opgeven daarvan leidt tot boetes.

Op deze voorwaarden wordt gecontroleerd met onbehoorlijke blikken in slaapkamer, badkamer en kasten. De jaarlijkse controle op bankafschriften kan kritiek opleveren op ‘foute uitgaven’ of ‘foute gegevens’. Soms met pijnlijke gevolgen: geen toegang tot de voedselbank of fraudeboete door het niet voldoen aan informatieplicht. 

De grote angst in de bijstand is het opbouwen van schuld. Elke dag een draadje is een hemdsmouw in het jaar maar dan in het rood. Schuld kan plompverloren ontstaan en oplopen door onverwachte uitgaven, door pech, door noodzakelijke extra’s voor kinderen.

De bijstandsgerechtigde met schuld valt al gauw in handen van het Centraal Justitieel Incassobureau en de schuldhulpverlening. Wat er dan kan gebeuren laat de toeslagenaffaire zien. Zeker is dat een schuldenaar met een paar tientjes in de week wordt weggezet. 

Plotsklaps belijden politici hun emoties over een boodschappenboete in de bijstand.  Zien ze nu hoeveel mensen er in uitzichtloze tientjes-armoede zitten? Zien ze nu de ouders,

familieleden, vrienden die wakker liggen van de nood van hun dierbaren? 

Misschien vermoeden de politici dat er heel wat burgers hun dierbaren levensmiddelen en geld toeschuiven, verborgen, buiten het oog van instanties en klikkende buren.

Deze mensen vragen zich gedurig af: mag ik een cadeautje geven voor verjaardag, sinterklaas of kerst? En mag dat iets groter uitvallen: een winterjas, een laptop, een kinderdekbed? Mag ik in godsnaam iets geven wat broodnodig is?

De Nederlandse Staat vindt het prachtig als mensen elkaar helpen. Zo stimuleert de staat dat ouders hun kinderen steunen om iets op te bouwen. Voor deze steun bestaan er dan ook vier soorten belastingvrije schenkingen. 

Ouders mogen hun kinderen tot 40 jaar eenmalig € 26.881,- (2021) schenken en in andere jaren € 6604,- (2021); zij mogen hun kinderen van 18 tot 40 jaar voor een dure studie € 55.996,- (2021) schenken en tenslotte mogen ouders hun kinderen tussen 18 en 40 jaar € 105.302,- (2021) schenken voor de aankoop van een huis.

Deze ruimhartige cadeaus staan in schril contrast met de ‘strafbare’ steun aan bijstandskinderen. Dat is appels met peren vergelijken, zult u zeggen.

Zou kunnen. Maar die appels en peren zitten in dezelfde kist van gemeenschapsgeld. De ene schenking kost gemeenschapsgeld en de andere schenking onttrekt betalingen aan gemeenschapsgeld.

Het systeem klopt ongetwijfeld. Maar ik zie niet in dat een  behoeftige niet geholpen mag worden en een niet-behoeftige wel rijker gemaakt mag worden.

Ik kan daar niet zo goed mee om. Misschien omdat ik ooit de Zeven Werken van Barmhartigheid van buiten heb moeten leren. 


Gelukkiger nieuwjaar met Youp

Voor Chris

Lieve Youp,

De Volkskrant doet truttig over jouw oudejaarsconference, Youp. ‘Het thema van de korte lontjes en het snel gekwetst zijn past bij Youp en hij weet er heel wat grappen uit te peuren, maar het is ook een plaat die grijs is gedraaid en die niet typerend is voor het jaar 2020’.

Tja Youp en dan te bedenken dat De Telegraaf je de hemel in prijst.

Beide kranten leggen de nadruk op jouw pleidooi voor een betere beloning van de zorg. Ofwel van ‘de mensen die zo druk waren en die ons geen seconde in de steek lieten’, zoals je zelf hebt ervaren in je ziekenhuisbed.

In mijn optiek gaat jouw stellingname verder dan alleen die materiële bekommernis. Je hebt als een missionaire dramaturg een scène opgesteld die wij, toeschouwers, zelf moesten lezen.

Een bed met een doodzieke man in het midden. Vrouwen en mannen gehuld in rampverpakking af en aan lopend om het hart van de man kloppend te houden. Boven het bed een kleine tv met Jort Kelder onstuitbaar in zijn almachtige opinie.

Ik heb de scène gelezen, Youp. Je hebt de barmhartigen, anoniem en onzichtbaar als ze waren, groot gemaakt. Je hebt de onbarmhartigen, zo opdringerig en zichtbaar als ze waren, klein gemaakt.

Mij heb je getroost Youp. Want als oud mens ben ik sinds maart 2020 angstig voor de huilende wolven in het coronabos.  Het is niet de grofgebekte meute die mij schrik aanjaagt; maar het is onze morele en mentale intelligentsia en haar volgers als superieure opiniemakers.

Theologen, filosofen, psychiaters, psychologen lanceerden als één stem de groteske stelling ‘dat mensen tegenwoordig niet meer willen sterven’. Dat noopte tot bescherming van ouden en zwakken. Dat eiste maatregelen die de economie vermoordden en het lieve leventje van jonge mensen opofferden. Dat verhinderde het vrije spel van het virus, nou ja griepje, dat ons alleen maar ‘zou verlossen van een zwakke bevolking die ziek is en zwaar op de maatschappij weegt’.

De dames en heren woordvoerders vergaten dat juist zij hadden moeten helpen om in het dilemma van solidariteit en belang een menselijk  aanvaardbare weg te vinden.

Tot nu toe hebben de dames en heren niet gewonnen. Zoals de meeste landen kiest Nederland voor het bestrijden van het virus.

De op dit moment gezaghebbende filosoof Michael Sandel zei daarover in de New York Times: ‘Het ideaal van solidariteit vereist dat we evenveel zorg hebben voor de zwakkeren en kwetsbaren als voor de sterken en de machtigen’. Elke andere aanpak noemde hij een vorm van sociaal-darwinisme; het overleven van de sterksten, en voeg ik toe; het (koopbare) recht van de sterksten. Bovendien, vraag ik me af: wat zou zo’n andere aanpak doen met gehandicapten en (geestes-)zieken in tehuizen en instellingen?

De directieve tirades van de belangrijke dames en heren hebben mij flink ontnuchterd. Als hun abstracte en dure jargon een beetje gezakt is, besef ik dat hier in feite de heersende klasse spreekt. En ik denk aan de mensonterende theorie van Ayn Rand. Haar kapitalisme verheft het recht van de sterkste tot de hoogste morele maatstaf en neemt letterlijk het recht om afhankelijken en zwakkeren te drillen of als parasieten te doden.

Lieve Youp, dank je voor je goede raad. Ik neem ze met een korrel zout, die hooggeleerde dames en heren. Ik projecteer ze allemaal op de kleine tv-tjes boven de ziekenhuisbedden.

Proficiat met je verheffende, trefzekere, liefdevolle afscheid. We zullen je missen.  


Vooruitgangsverdriet

Vooruitgangsverdriet in de jaren van Annie Ernaux

In tijden van corona met de dood en het einde bewuster nabij, kan ik Annie Ernaux’ beweegredenen voor haar roman Les Années invoelen.

Annie Ernaux (1940), de auteur die een bijzondere plaats in de Franse letteren heeft bevochten, zocht jarenlang naar een vorm voor een soort totale roman over haar, over een vrouwelijk leven. Die missie werd urgent toen ze borstkanker kreeg;  haar tijd leek beperkt.

Het boek moest Ernaux’ Op zoek naar de verloren tijd worden. Ernaux zocht een kompas, een openbaring; ze hoopte op de in thee gedoopte madeleine van Marcel Proust. En ze vond haar madeleine in vijftien foto’s die de draad van haar leven spannen. Ze laat de foto’s niet zien maar ze beschrijft ze, fysiek naar het uiterlijk en psychisch naar de stemming en de sfeer.

De foto’s uit haar jeugd intrigeren me. Er is de traditionele half naakte baby op een kussen. Er zijn foto’s van een vierjarige kleuter met grote strikken in het haar of in een jurk met volants en pofmouwen. Een negenjarig meisje in badpak staat op een kiezelstrand. Met vijftien staat het meisje naast een vriendinnetje in een tuin, het haar nog in het permanent van de plechtige communie. Uit 1957 is er een foto op een binnenplaats, in haar geboortedorp. Later staat het meisje op de groepsfoto filosofieklas 1958-1959 van het lyceum in Rouen.

IMG_6359

De geschreven foto’s van het meisje, geboren Duchesne, intrigeren me omdat daarin de uitgangspositie van het kind is overschreven. Onder de onbestemde kleren en kapsels zitten de kwetsbaarheid, de eenzaamheid, de schaamte die het repertoire zullen vormen van iemand die van de ene naar de andere klasse verhuist. Of overloopt als die mentale migratie niet begrepen, niet verwerkt of niet geaccepteerd, zelfs afgestraft wordt.

Het meisje zal als Annie Ernaux getuigen van klassenongelijkheid waarvan zelfs het taboe, taboe is.

Annie Duchesne wordt geboren in het Normandisch dorpje Yvetot. Haar familie hoort tot de ongeletterde arbeidersklasse maar haar ouders werken zich op met een kruidenierswinkel annex café; de woonkamer is het café, de keuken is de winkel. Zo slijt het kind heel wat uren tussen bier drinkende mannen.

Annie is intelligent. Haar ouders sturen haar vol trots naar een katholieke privé-school. Maar het kind raakt ontheemd. Ze beseft dat ze in gewoonten en gedrag niet op haar klasgenoten lijkt. Het kost haar moeite om niet uit de toon te vallen en de vernedering te dragen als ze dat wel doet.

Annie gaat met een beurs studeren in Rouen. Daar voltrekt zich de catastrofe die de richting van haar leven zal bepalen. Annie raakt zwanger van een mede-student uit de ‘betere klasse’. Hij laat het meisje zitten met ‘haar’ probleem want hij heeft grotere zaken te doen. Het meisje Annie kan niet terugvallen op haar ouders. Ze mag hen deze ontwrichtende schande niet aandoen 

In haar autobiografische debuutroman uit 1974 overdenkt Annie haar leven als ze, heel alleen, haar abortus afwacht. Ze realiseert zich haar diepe sociale ontheemding. Ze wordt gestraft, denkt ze, voor de verloochening van de eigen klasse en voor de pretentie recht te hebben op de ontwikkeling, de literatuur, de muziek en de kunst van de hogere klasse.

Die klassenongelijkheid stuurt het leven van Annie Ernaux. Het wordt haar drijfveer om schrijver te worden. Met twintig jaar schrijft ze in haar dagboek: ‘Ik zal schrijven om mijn ras te wreken’. 

Dat klinkt nog plomp. Later motiveert Ernaux beter waar het om gaat. In De bevroren vrouw (1981) zegt dat ze zich nooit echt prettig voelde bij mensen uit de ‘bourgeoisie’, en ook dat ze zich alleen maar thuisvoelt in haar schrijverschap. Het is navrant dat talent en ontwikkeling betaald zouden moeten worden met sociale statenloosheid.

Annie Ernaux schreef een twintigtal romans. Alle romans zijn autobiografisch en vertellen onverbloemd over haar leven, haar vader, haar moeder, haar mislukte huwelijk. Ze fantaseert en verfraait niets. Ze ontleedt alle gebeurtenissen en ervaringen in de schaamte en de pijn.

Haar sociale stijging manifesteert zich in haar betrokkenheid bij vrouwenemancipatie en haar sociaal-politieke engagement. Ze is beïnvloed door de socioloog Bourdieu die onderwijs en cultureel kapitaal als voorwaarden voor sociale stijging stelt.

Annie Ernaux wordt dan ook de vereerde literaire patrones van schrijvers als Nicolas Mathieu en Édouard Louis. Deze twee jonge schrijvers behoren tot een nu opmerkelijke generatie die het arbeidersmilieu en sociale mobiliteit op een indringende manier actueel maakt.

Annie Ernaux ontwikkelde haar moedige interpretatie van maatschappelijk zeer met een sobere stem vanuit een zelfredzaam geworden intellect. Daarom is zij literair, sociologisch en historisch van grote betekenis. Die erkenning krijgt ze van lezers en wetenschap maar niet altijd van de pers. De kritiek haalde af en toe uit naar haar ‘misérabilisme’ of naar haar ‘slordige’ stijl. Sommige critici stellen dat haar sociaal geladen literatuur geen literatuur is.

Met de verschijning van Les Années in 2008 verstomt iedere kritiek.Deze roman wordt bejubeld als haar magnum opus, misschien omdat het sociale-feministische perspectief van Ernaux tot een universele thematiek wordt verruimd. 

Het boek is, vreemd genoeg, pas in oktober 2020, in het Nederlands verschenen.

De roman De jaren schept een weids panorama over de tijd tussen 1945 en 2007. Het is een documentair verhaal van het collectief, ook wel een sociologische autobiografie. In de historie weerspiegelt de schrijvende persoon zoals omgekeerd de tijd in dat schrijvende individu weerspiegelt.

De echte hoofdpersoon is de tijd; de stroom van veranderingen in opvattingen, in mentaliteiten, in politiek, in welvaart en in de verschijningsvormen van kleding, huizen, producten, idolen, liedjes, tv-programma’s, filmhelden, boeken en kranten. 

De hoofdpersoon is de tijd zoals in de grote roman van Proust. In de slotscène van die roman spreekt Proust over de tijd die we niet zien maar die zich manifesteert in het veranderen en verslijten van mensen en menselijke verhoudingen. Het moet Annie Ernaux deugd doen dat Proust klassenverschillen ziet verglijden als de mensen die eerst niet door de aristocratie ontvangen worden ineens gewilde gasten zijn in de adellijke salons.

Annie Ernaux voegt een ontroerende stem toe aan deze majesteit van tijd. Zij persoonlijk, zegt ze, zoekt een vorm voor haar toekomstige afwezigheid.

Zij wil iets redden zoals ‘de blik van de zwart-witte kat bij het inslapen na de prik’. Zij wil iets redden van de tijd waar we nooit meer zullen zijn.

Annie Ernaux is nog volop in leven. Na De jaren schreef ze divers werk waaronder  de hartbrekende roman Meisjesherinneringen in 2016. Daarin gaat ze terug naar het meisje van ’58’. Ze vertelt dat sommige meisjes op het lyceum niet met haar spraken vanwege haar ‘milieu’. Ze vertelt hoe ze voor het eerst met een jongen naar bed gaat en in een lange, eenzame, geestelijke crisis belandt.

‘Ook ik heb dat meisje willen vergeten’, zei Ernaux. ‘Het is me nooit gelukt’.

Vooruitgangsverdriet; Annie Ernaux heeft het al haar jaren met zich meegesleept.