Happy Bloomsday

IMG_3765Als we ’s morgens in het hotel inchecken, vraag ik de receptionist om het James Joyce Centre op de kaart aan te wijzen. Hij antwoordt met een vraag. Ken ik Gabriel en Gretta Conroy? Want we zijn in Gresham, het hotel uit ‘De doden’, een vermaard verhaal uit ‘Dubliners’. Voor we er erg in hebben vertellen we elkaar het verhaal van het kerstfeest bij de dames Morkan. Dat feest eindigt met de oplaaiende hartstocht van Gabriel die wegdooft in de droevige herinnering van zijn vrouw aan de voor haar gestorven jeugdvriend. De eeuwige onvolkomenheid van de liefde. Hier in het Gresham.

IMG_3768

Dit is Dublin in de aanloop tot Bloomsday. Eén keer wilde ik dit feest rondom Ulysses meemaken. Ik heb maar enkele fragmenten van deze grenzeloze roman gelezen. Maar wel ‘Dubliners’ en ‘Een portret van de kunstenaar als jongeman’. Joyces structuren en zinnen zijn even imponerend als intrigerend. Eens, ooit moet ik Joyce bedwingen.
De eerste middag dompelen we onder in Joyces Dublin: zijn Centre als museum en informatiebron, zijn beelden in St. Stephen’s Green en Earlstreet North, de onaangeroerd bewaarde Sweny apotheek waar Leopold Bloom de vermaarde citroenzeep kocht om zich te wassen in het Turkse bad.
IMG_3776In deze buurt waart ook Oscar Wilde, tussen het huis waar hij geboren is, het huis waar hij kind was en zijn kleurige half trieste beeld op Merrion Square.
Terug naar het hotel lopen we door een winkelstraat waar twee zangers om het hardst Leonard Cohen zingen.

En dan moet Bloomsday nog beginnen.

Het Museum of Irish Writers ligt tegenover de peinzende Garden of Remembrance voor alle Ierse mannen en vrouwen die gestorven zijn voor de Ierse vrijheid. Het mooie Georgian huis draagt de trotse Unesco plaquette: Dublin City of Literature. Zo is het precies.IMG_3849
In het beeldschone museum ontvouwt zich de geschiedenis van de Ierse literatuur met haar eretribune vol giganten. De jongere generaties zijn vertegenwoordigd op portretten in hal, gangen en een mooie pronkzaal boven. Ik sta stil bij de verrukkelijke, fascinerende Edna O’Brien, die soms als geen ander de Engels-Ierse ambivalentie raakt.
De literatuur loopt later met ons door de straten van Dublin. Daar ligt het Finn Hotel waar Joyce Nora ontmoette. Daar staat Oliver Goldsmith voor Trinity. Hij waakt over de Old Library met de schatkamer van ‘The Book of Kells’. Op de campus wijst een gedenkplaat op het appartement van Beckett. Iets verder weg ligt zijn prachtige zwanehalsbrug.

En dan moet Bloomsday nog beginnen.

Jonathan Swift ligt begraven in St. Patrick’s Cathedral. De deken van de kerk die ‘Gullivers reizen’ schreef, trekt veel bekijks, zijn tentoonstelling en zijn doodsmasker.
Langzaamaan gaan we de literaire café’s verkennen. Het zijn de café’s waar de grote dichters, romanciers, toneelschrijvers hun glas dronken of beruchte drinkgelagen aanrichtten. De Palace Bar in het huidige feestgebied Temple Bar, is de prelude op de grote drie in Duke Street. Dat zijn: The Duke, nog in Victoriaanse staat, waar literaire kroegentochten beginnen, The Bailey waar je op Bloomsday Joyceaans met niertjes moet ontbijten en Davy Byrnes, het Joyceaanse Mekka. IMG_3907Hier at Leopold Bloom zijn sandwich met gorgonzola en dronk er zijn glas rode Bourgogne. In The Bailey krijgen we alvast de Bloomsday strohoed op ons hoofd.

En dan moet Bloomsday nog beginnen.
Zestien juni 2018 herdenkt zoals ieder jaar zestien juni 1904. Op die dag speelt het verhaal van Leopold Bloom geweven in de zwerftocht van de mythische Odysseus.

Zestien juni viert Dublin de roman ‘Ulysses’ en zijn schrijver James Joyce.
Bloomsday begint. Mensen lopen naar hun bestemmingen: het James Joyce-ontbijt, een lezing, het museum, een bustour, een wandeling. Velen dragen strohoeden. Anderen zijn uitgedost in Victoriaanse/Edwardiaanse kledij of wat er voor doorgaat. Ouderwetse maatkostuums lopen langs lange rokken en strakke lijfjes met hoeden als wagenwielen volgeperst met kleurige kunstbloemen.IMG_3950
Ze roepen elkaar toe. ‘Happy Bloomsday’.
Wij hebben gekozen voor een wandeling die langs locaties uit de roman en uit Joyces leven voert. Onze gids is een soort Mister Pickwick, parmantig, ijverig en kordaat. Ik ben geen specialist zegt hij en intussen vertelt hij scenes uit roman en leven tot in de diepst liggende finesses.
Zijn geestigheid balanceert tussen Wilde en Shaw. Zijn lach is overdonderend.
De gids laat ons achter bij Davy Byrnes in de massa Joycevierders vóór en in het café. Iedereen eet Joyces lunch en daarna is het drinken en zingen geblazen. Een aardige mevrouw wringt ons op de mooiste plek in het café, tussen de zangers. We zitten zomaar in het hart van het feest.
Alles zingt hier. Iedereen zingt hier. Er klinken aria’s uit opera’s en volksliedjes maar het meest roerende van al: de Dubliners zingen hun dichters. Ze zingen Thomas Moore, Patrick Kavanagh, Brendan Behan en natuurlijk William Butler Yeats. Tussendoor declameren ze hun gedichten. Ook van Oscar Wilde. Een jonge levende dichter leest of rapt zijn gedicht als een nieuwe ster.IMG_3948De stemming is adembenemend. Bladen vol Guinness en wijn schuiven voorbij. Tussen zingen en drinken wordt gepraat. Over Joyce. De vraag speelt of Joyce wel of niet van Nora Barnacle heeft gehouden. Dat is méér dan een privékwestie voor Joyce-lezers. Samen met een man die Ulysses meerdere malen heeft gelezen, kom ik tot de conclusie dat Joyce een sprekender nationaal symbool is dan een koningshuis. Hij oefent mij in de juiste uitspraak: Ulysses met de klemtoon op de y.

Het feest eindigt als Guinness en wijn hun werk hebben gedaan. De Dubliners zijn in tranen over hun Dublin, over The last rose of summer, over hun Danny boy.
Ik kom terug als ik Ulysses gelezen heb vanaf Buck Mulligan in het trapgat tot en met de laatste uitroep van Molly Blooms monoloog. Beloofd is beloofd.

Dan mag Bloomsday weer beginnen.

Advertenties

Last exit 2

Ik wilde niet geloven dat Philip Roth gestorven was zoals ik in 2012 niet wilde geloven dat hij niet meer schreef. Maar Philip Roth was een mens. Hij leefde en stierf. Hij schreef en werd te moe om te schrijven.
Toen Philip Roth op 22 mei overleed, was ik in Frankrijk. Het eerste bericht las ik in een Franse krant, zo’n regionaal blad waarin de wereld hoogstens twee pagina’s beslaat.
Het was een klein memoriam, eerbiedig, want literair Frankrijk houdt van Philip Roth.
Hij had een grote affiniteit met De Balzac, zei hij ooit, en dat bindt.
Nu staat hij samen met de reus De Balzac IMG_3704in de Pléiade. Deze reeks van grote Franse en mondiale werken fungeert sinds 1923 als een soort Légion d’honneur van de literatuur. In 2017 verscheen Philip Roth volume 1 met vijf titels in dit plechtige literaire geheugen.
In het stadje waar ik was, zag ik in een boekhandel een prominente boekenkast vol Pléiade boeken, fraai gebonden in leer met gouden opdruk. Philip Roth stond er nog niet bij. Als ik geweten had dat……., zei de boekhandelaar maar ja niemand kent iemands dag en uur.

Ik vind de wereld zonder Philip Roth even niks. Zijn boeken zitten in me als een tweede bewustzijn van het bestaan.
Dat bewustzijn begon met ‘Portnoy’s klacht’ in 1969. Iedereen las dat boek. Iedereen ging over de kop over de geile jongensseks maar ik niet. Bij mij raakte het boek een trillende snaar van gehinderd opgroeien; de dominante moeder, de meewarig bekeken vader, de onhandelbare sexuele obsessies; dat alles in het milieu van Joods zijn en Amerikaans worden.
Portnoy’s klacht was de doorbraak van Roth na zijn debuut in 1959: ‘Goodbye Columbus een verhalenbundel en daarna een vroege roman. De Joodse gemeenschap viel hem hard aan vooral op het titelverhaal; hij werd de verrader van zijn Joodse huis.
Dat debuut heb ik veel later gelezen. Want na Portnoy’s klacht hervatte ik Roth pas met zijn meesterlijk hoogtepunt, de trilogie bestaande uit: ‘Amerikaanse Pastorale’, ‘Ik was getrouwd met een communist’ en ‘De Menselijke Smet’.
Daar explodeerde mijn bewondering voor Roth en mijn herkenning in wat hij schreef. In een recordtijd vergaarde en las ik zijn hele oeuvre.
Nu de vele necrologieën lezend, kom ik alles tegen: titels, alter-ego’s, thema’s, ideeën, politieke ontrafeling, literaire opvattingen. Ik zie Roths magistrale bouwwerk van de menselijke conditie tot op de bodem van de individuele menselijke ziel die verteert in obsessie, ouderdom, ontluistering, ziekte, sterfelijkheid. Ik proef alle kwalificaties: briljant, oprecht, geestig, slim, scherp, satirisch, verontwaardigd, ontmaskerend, ontledend.
Mijn kwalificatie past niet in één woord. In 2012 haalde ik in ‘Last exit’
de uitspraak van Roth aan dat romans er niet zijn om antwoorden te geven maar om vragen los te laten. Wellicht zit daar mijn fascinatie. Want Roth, altijd gedreven door emotie, verontwaardiging en zelfs moralisme legt niets op. Roth legt een werkelijkheid bij de lezer neer. Wat overkomt mensen, wat denken ze ervan, wat doen ze ermee?
Roths werkelijkheid is niet biografisch ook al put hij uit zijn eigen leven. Hij brengt die werkelijkheid zo dichtbij zijn lezer dat het ieders werkelijkheid is, met ieders vragen en ieders tweestrijd.

Mijn diepste bewondering voor Roth geldt zijn eerlijkheid. Roth kent geen schaamte, gebruikt geen eufemismen of verhullende smoezen. Die eerlijkheid heeft hem nogal wat woede van feministen opgeleverd. Zij zagen in de sexbeluste mannen van Philip Roth onverschillige vrouwenhaat en vrouwenvernedering. Misschien lazen ze niet al te best. De mannen van Roth zijn vooral onzeker, sukkelig, altijd tekortschietend en doodsbenauwd voor vrouwen of in therapie om hun sexgedrag te veranderen.
Roth heeft de feministen van ‘vrouwen zijn goed en mannen zijn slecht’ op hun plaats gezet met de verschrikkelijke, angstaanjagende, parasitaire vrouwenfiguren in ‘De Feiten. De autobiografie van een schrijver’ en ‘Mijn leven als man’.
Nuancering is ook geboden bij de opvatting dat ‘Het complot tegen Amerika’, waarin de antisemiet Charles Lindbergh president wordt, een parallel beschrijft met het aan de macht komen van Donald Trump. Philip Roth ontkende dat. Hij zag die overeenkomst meer in ‘The Confidence-Man: His Masquerade’ (1857) van Herman Melville.
Als trouwe Roth-adept heb ik nieuwsgierig dat boek gelezen. Mij trof de waarneming van Roth. De hoofdpersoon uit Melville, de relevante voorvader van Trump aldus Roth, is de rasbedrieger, de flessentrekker, de misleider die zijn medereizigers op een Mississipp-schip geld aftroggelt. Hij doet dat telkens in een andere vermomming en wendt telkens een ander hooggestemd idealistisch doel voor. Macht en eigenbelang via leugen en bedrog zijn de te eenvoudige steekwoorden in deze complexe en duistere roman.

Philip Roth heeft veel lof en veel prijzen voor zijn werk verdiend en gekregen. Maar de ultieme prijs, de Nobelprijs voor literatuur, zat daar niet bij. Dat heeft geen lezend mens begrepen.
In 2008, na de laatste Amerikaanse Nobelprijs voor Toni Morrison in 1993, heeft de secretaris van het Nobelcomité de Amerikaanse literatuur weggezet als: insulair, geïsoleerd en te ontvankelijk voor trends in de eigen massacultuur. Dat sloot blijkbaar ook de schrijver in die na de aanval op de Twin Towers in 2001 zei: ‘Sinds 11 september zie ik in Amerika een orgie van nationaal narcisme en een ongerechtvaardigd en weerzinwekkend slachtoffergevoel’.
Zelf verwachtte ik sinds 2003 ieder jaar de Nobelprijs voor Roth. Nu kan het niet meer. Het Nobelcomité mag zich voor eeuwig schamen.

Ik vind de wereld zonder Philip Roth nog steeds niks. ‘Last exit to Brooklyn’ van Mark Knopfler helpt dit keer niet.


Credo Tsjaikovskistraat 40

Tsjaikovski40Pieter Waterdrinker woont in Sint-Petersburg, Tsjaikovskistraat 40. De straat is niet vernoemd naar de beroemde componist maar naar een revolutionair. Dat past ook beter bij Waterdrinker. Zijn straat was ooit het brandpunt van de Russische revolutie en voedt de schrijver dagelijks met herinneringen aan de schokkende geschiedenis van godsgegeven dictatuur naar volksgegrepen dictatuur.
In de nieuwe versie van het land onder de satraap, zoals Waterdrinker Ruslands leider aanduidt, schreef de auteur zijn levensgeschiedenis vermengd met schetsen uit de roerige Russische omwentelingen rond en na 1917. Lees de rest van dit artikel »


Een zang van Orpheus

Zoals de bloemen van Siebelink een memoir van een mensenleven schiepen, zo kunnen huisdieren dat zeker.
Ik hoef dat honden- en kattenliefhebbers niet uit te leggen. Katten en honden zijn reisgenoten in het dagelijks leven. Ze zijn getuigen van zaligheid en rampzaligheid en van alles waar ‘een ander niets mee nodig heeft.’
Katten en honden bezetten ons leven met twee jaartallen in een reeks van opeenvolging zoals vorsten met regeertermijnen in een geschiedenisboek. Ik kan mijn katten oproepen met hun eigenaardigheden, hun nesten, leeftijden, stuk voor stuk vanaf de poes zonder naam tot en met de laatste, Bosie genaamd, naar Oscar Wildes verdervende minnaar.

In een vertrouwelijk fotoboek roept Mirjam Rotenstreich haar katten op met in het middelpunt twee weelderige Noorse boskatten: de grijze zus Tasha en de rode broer Tygo. Lees de rest van dit artikel »


Literaire vergankelijkheid

Misschien flitste Marita Mathijsen een allusie op Couperus’ romantitel door het hoofd toen zij haar standpunt over het uitgeven van klassieke romans herzag. Want zoals oude mensen, zijn ook oude boeken, de dingen, die voorbijgaan.
Ze betreurt het, vertelt ze in de Volkskrant. Oude literatuur en de grote klassieken worden niet of nauwelijks gelezen en zelfs studenten Nederlands beleven steeds minder plezier aan schrijvers als Couperus en Multatuli.
Voor Marita Mathijsen, emeritus hoogleraar moderne letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, betekent die constatering een persoonlijk keerpunt. Marita, gespecialiseerd in de negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur, verwerpt de doctrine dat romans en gedichten van overleden schrijvers en dichters niet ingekort of hertaald mogen worden om het werk makkelijk leesbaar te maken. Lees de rest van dit artikel »


Bloemenautobiografie

Bloemen SiebelinkVoor Pasen kreeg ik geen bonbon-ei maar een boek. Ik kreeg ‘De bloemen van Jan Siebelink’. Iets mooiers konden ze me niet geven. Want al ben ik niet van God, het moet goddelijk zijn om zoiets spectaculairs als bloemen te bedenken. Zoals Jean-Jacques Rousseau zegt: bloemen behoren tot één van Gods koninkrijken. Zijn boek ‘Botanie’ met de platen van P.J. Redouté is dan ook een lievelingsboek, nou ja op een gedeelde plaats met Redoutés ‘Les Roses’.

Het boek van Jan Siebelink is een soort persoonlijk, affectief, kunstzinnig herbarium. De schrijver ziet het zo: ‘Planten en bloemen zijn voor mij vertrouwde tekens, bakens. Ze horen vanzelfsprekend bij het decor dat ik optrek voor mijn verhaal. Ik bedenk ze niet. Ze dringen zich niet op. Ze zijn er gewoon. Wegwijzers’. Lees de rest van dit artikel »


Charlottes verweer

Wie iemand kent met een depressieve aard weet hoe moeilijk het is de woorden bij elkaar te rapen om de kwelling van een depressie uit te drukken. Dante sprak over verloren zijn in een donker woud. Sylvia Plath, de Amerikaanse dichteres voelde zich gevangen in een glazen stolp.
Ik als toeschouwer zie een lege ziel die niets wil, kan, voelt of doet, verlamd in het volstrekte niets.
William Styron (schrijver van o.a. Sophie’s choice) heeft naar mijn idee de helderste woorden gevonden om in het mysterie van de depressie door te dringen. In zijn memoir over de depressie die hem rond zijn zestigste overviel, betrekt hij de twee polen in een depressie: de verlamming tegenover ‘de huilende orkaan in de hersenen’ zoals hij zegt. Vooral laat hij zien dat depressie zelfvernietiging in gang zet die niet zelden eindigt met de zelfgekozen dood.
Lees de rest van dit artikel »