Weg met seksuele geestdrijverij

Hij zat in het praathuis Op1. Hij sprong eruit met zijn fantastische jasje in blauwtinten gemarmerd. Splinter Chabot, stralend van jeugd, keek met net iets méér verwondering dan gewoonlijk, dacht ik te zien.

Nu in de praatshow presenteert Splinter een nieuw boek met dramatische homobekentenissen in brieven die mensen hem stuurden als reactie op zijn roman. Of hij in de show zit om dat boek te presenteren, komt er niet uit; hij zit er zeker als tegenspeler van een gezant van de gereformeerde kerk.

De voorliggende kwestie is de identiteitsverklaring die ouders op gereformeerde scholen moeten tekenen waarin zij het leven als homo en het homohuwelijk afwijzen. Minister Arie Slob van Onderwijs en Media heeft met zijn instemming de gemoederen op scherp gezet en het land gloeit van verontwaardiging.

Maar hier, aan de anderhalve-meter-afstand-tafel speelt een vervreemdend, vernederend toneelspel.

De reformatorische gezant is een keurige heer met zachte stem. Hij predikt dagelijks op scholen de liefdevolle omarming van het homokind. De keurige heer is zelf volbloed homo maar leeft celibatair zoals gereformeerden en andere orthodoxen hun clubgenoten dwingend opleggen. Je mag homo zijn maar je mag het niet doen; zo luidt het ongeschreven contract van de orthodoxie. De keurige, kalme, aimabele heer is het dan ook mompelend eens met de verplichte identiteitsverklaring op refoscholen ook al treffen ouders daarmee soms hun eigen kinderen.

De opgetrokken wenkbrauwen van Splinter Chabot schieten naar verbijstering. Hij kan het zichtbaar niet geloven dat de een de ander zijn seksuele leven ontzegt en iemand daardoor uitsluit van zijn dagelijkse, affectieve gemeenschap. Splinters reactie, zijn poëtische ode aan de liefde tussen jongens, tussen meisjes en welke genders nog meer, vervliegt in een lange stilte. In dat luchtledige zijn de dingen niet meer wat ze zijn. Uitsluiting is insluiting en insluiting is uitsluiting.

Splinter Chabot is niet opgewassen tegen dit confessionele raffinement. Hij weet nog niet dat godsdienstfanaten ieder verweer smoren in sentiment, in druiperig begrip, in schijnheilige naastenliefde, in hautaine bestwil voor de ander. Hij weet nog niet dat hun seksuele autocratie voortdurende bevredigd moet worden.

De jonge Chabot botst tegen de almachtige god van de keurige heer. Die god is, tot mijn levenslange verbazing, gebeten op seksualiteit in alle varianten en in alle  uitingen daaromheen. Wie god (en goden) die vloek in de mond hebben gelegd, weet ik niet. Zeker is dat godsdienstdrijvers de levens- en liefdesdriften van mensen in zonde, schuld en straf verstikken.

Beste Splinter, denk ik, trap niet in valse emoties. Verspil je mensenliefde niet om homoliefde te verdedigen. Beroep je gewoon op de wet. We hebben een onwankelbare grondwet waarin iedereen gelijk is ongeacht geslacht, kleur of seksuele voorkeur en waarin iedereen met iedereen een formele en informele relatie mag hebben.

Zeker, de godsdienstdrijvers proberen nog steeds mensen in het keurslijf van hun verboden te dwingen. Ze doen dat met gespeelde naïviteit van ‘godsdienstvrijheid’, ‘vrijheid van meningsuiting’ of ‘recht op eigen mening en opvattingen’. Laat je niet intimideren. Het opleggen van hun verboden aan anderen en zeker aan kinderen die hun in opvoeding zijn toevertrouwd, schoffeert onze hoogste wet, ons eerste uitgangspunt van rechtsorde.

Dus Splinter, nogmaals, vertrouw op de wet. Help mee om artikel 23 waarmee de bijzondere school bestaat en eigenmachtig confessioneel opvoedt, uit de grondwet te schrappen. En ja, minister Slob zou moeten opstappen.


Trump Syndroom

Dat ik dit nog mag beleven, verzuchtte mijn grootmoeder als haar iets van groot gewicht toeviel. Ik zeg het haar na nu Donald Trump (bijna) uit het Witte Huis is verjaagd.

Bizar is het wel. Net als Bert Wagendorp vraag ik me af ‘hoe ik me vier jaar lang zo kon opwinden over de baas van een vreemde mogendheid.’

Maar die hoogste autoriteit van de vrije, westerse, democratische wereld heeft diezelfde gemeenschap beroofd van het vertrouwen in politieke integriteit van het hoogste gezag. Zelden heeft iemand zo openbaar in de permanente schijnwerpers de onvolgroeide, stampvoetende, narcistische dwingeland uitgehangen.

Trump zou perfect gepast hebben in het boek Zieke wereldleiders van de Britse politicus David Owen uit 2007. Owen beschrijft markante wereldleiders in de 20e en 21e eeuw die aan verschillende lichamelijke en psychische kwalen leden en daardoor ondoordachte schadelijke besluiten namen in politiek bestuur. De Engelse titel The Hubris Syndrom drukt preciezer uit waarop Owen zijn pijlen richt: het syndroom van overmoed dat regeringsleiders George Bush en Tony Blair kon bevangen en vergiftigen, concreet in hun oorlog tegen het Irak van Saddam Hoessein.

In hybris gevangen, ontwikkelt een mens zich tot hoogmoedige, overmoedige grootheidswaan. Met een onbegrensd zelfvertrouwen en het afwijzen van iedere tegenspraak of advies, onderwerpt hij iedereen aan zijn gelijk, zijn verlangens, zijn eisen, zijn ambities en soms zijn gekte.

Donald Trump lijkt de superlatief van hybris-perversie. Hij stond voor autocratische, harde, egoïstische, rechtse, nationalistische politiek. Hij liep alle zwakkere burgers, arme mensen, gekleurde mensen en immigranten voor de voeten. Hij liep weg voor mondiale klimaatproblemen en internationale verantwoordelijkheden.

Donald Trump kent noch fatsoen, noch sociale omgangsvormen, noch burgerlijke verantwoordelijkheid. Hij speelde het klaar om met een cv van belastingontduiking, schimmige zelfverrijking, witwassen, aanranding en verkrachting het hoogste ambt van de VS te bekleden. Hij gebruikte zijn ambt om de juridische controle in zijn land in exclusief conservatief-partijdige richting te sturen. Hij maakte zijn mening en zijn wil tot absolute waarheid. Feitelijke waarheid werd fakenieuws en integere journalisten werden volksbedriegers.

In de afgelopen presidentsverkiezing heeft Donald Trump zijn eigen koningsdrama gespeeld precies volgens de regels van het hybrishandboek. Hij kondigde vooraf zijn overwinning aan. Hij beschuldigde de rivaliserende Democraten al vanaf de eerste campagnedag van fraude, Hij ontregelde de postbezorging van schriftelijke stemmen en blokkeerde het tellen ervan. Hij hield op alle podia vol dat hij gewonnen had en dat de Democraten de verkiezing gestolen hadden.

Sommigen vatten het catastrofale karakter in dit koningsdrama samen als de volksmenner die primitieve obsessies heiligt om het conservatieve publiek te verleiden. In dit beeld predikt Trump slechts twee ideële principes: verbod op abortus en vrij wapenbezit. Het is als een symbolische weegschaal tussen leven en dood, een cynische variant van de rechtvaardigheidsbalans van Vrouwe Justitia.

Ach, hadden we maar een Shakespeare om de ontreddering te peilen die een mens in hoogmoedswanen aanricht.

Op deze zondag zit Donald Trump te foeteren in het Witte Huis. Joe Biden heeft officieel gewonnen maar Trump bestrijdt nog steeds en nog even agressief Bidens overwinning. Trumps zoon riep eerder op tot oorlog. Zelf zal Trump maandag naar de rechter stappen om hertelling van de stemmen af te dwingen. Alleen de schoonzoon probeert Trump te bewegen om zijn verlies te accepteren. Hij is een moedige stem in een absurdistisch theater waarin geen mens de ex-president durft tegen te spreken.

Misschien weet Donald Trump niet (zoals Loekasjenko van Wit-Rusland zonder blikken of blozen zei) wat hij na zijn presidentschap moet doen. Een bibliotheek rondom ideeën en verdiensten opbouwen, zoals zijn voorgangers deden, lijkt een lachertje. Méér dan zijn Verzamelde Tweets heeft hij niet te bieden. Een autobiografie is al even onnodig met die verzamelde tweets in archief.

Niettemin kan een biografie van Donald Trump de mensheid wel vooruit helpen. Trumps syndroomverhaal zou kunnen aantonen dat samenlevingen zich moeten beschermen tegen medisch/psychologisch problematische politici zoals David Owen de wereld voorhield. 

Ik weet een mooie titel. Helaas is Te gek om los te lopen al van Bram Bakker. 


Nieuw conflict over oud

Eigenlijk wil ik het nooit meer hebben over een conflict tussen jong en oud. Ik heb er genoeg over gezegd. Bovendien vind ik een generatieconflict dommer dan dom, menselijk primitief en maatschappelijk improduktief. In de persoonlijke levenssfeer van mensen en al zeker niet bij wat heet het gewone volk, zie ik trouwens geen generatie geruzie.
Toch bestaat het conflict. Sander Schimmelpenninck ziet het in elk geval. Het dient zich al jaren aan en het zal in het komende decennium dominant zijn, aldus de losgezaaide stelling van Schimmelpenninck in zijn column van 31 augustus j.l.

De column draait om het coronabeleid waarin het predicaat ‘samen’ oud en jong onder hetzelfde regiem schaart terwijl oud het grootste risico loopt. Dat standaardbeleid is Schimmelpenninck een doorn in het oog. De jongeren hebben, volgens hem, buitengewoon gehoorzaam dat beleid gevolgd en hun leven drastisch veranderd voor de ouderen. Maar nu moet er gepraat worden over ander beleid.
Schimmelpenninck vertelt niet wat hij wil. Hij zegt op voorhand dat ouderen met emotioneel gedoe en een pathetisch beroep op hun ouderdom de discussie doodslaan.
Hij noemt het ‘gespartel van een even dominante als egoïstische generatie’. Die generatie kan omdat ze voor hun inkomen niet meer afhankelijk is van de economische conjunctuur, cultureel rechts stemmen en zich verliezen, zelfs radicaliseren in hun kortetermijndenken.
Akkoord, men moet praten over beleid dat vrijheid, democratie en economie kan beschermen. Maar de suggestie van Schimmelpenninck in zijn column dat ouderen te beroerd zijn om zich aan te passen of méér in te schikken is infantiel gejengel.

Erger echter is, wat aan deze suggestie ten grondslag ligt. In het kielzog van een Bulgaarse politicoloog stelt Schimmelpenninck dat het coronavirus de rollen tussen de generaties tijdelijk omdraait. Eerst moesten jongeren de ouderen smeken om iets te doen, bijvoorbeeld aan klimaatverandering en nu vragen ouderen iets aan jongeren. Zo hebben jongeren nu de troeven in handen. Schimmelpenninck is te burgerlijk om open op tafel te leggen wat wat hij bedoelt. De teneur is duidelijk. De jeugd moet beslissen over (het loslaten van) de regels want oud is egoïstisch en heeft het slecht met de maatschappij voor.

Dit politieke denken via morele veroordeling, dit opdringen van zonde en schuld aan de een om het belang van de ander te dienen, is naar mijn idee de kern van het of een generatieconflict.

Het beschuldigen, schandaliseren, vernederen, kleineren, van de oude mensen, de babyboom, is al lange tijd bon ton. We hebben het daar nooit over. We vinden het terecht, óf we stoppen het weg als een taboe.
Ik begon het te zien toen Europa rond 2004 de Nederlandse pensioenen ter discussie stelde. Die ‘riante’ pensioenen maakten de loonkosten hoger en dat kon de neo-liberale groeieconomie niet gebruiken. Bovendien zouden andere lidstaten ook zulke pensioenen willen en de Europese economie had wel andere idealen. Uit die tijd stammen de snerende tirades van J.P. Balkenende over gepensioneerde ouderen die ‘ genotzuchtig en profiterend met  hun camper door Europa trokken. De CDA-conservatief Hans Hillen maakte het nog bonter in een interview in die tijd. Hij zette iedere AOW-gerechtigde voor schut met de uitspraak dat zijn oude moeder zich zou schamen om iets van de Staat aan te nemen. Balkende heeft overigens gedurende zijn achtjarige premierschap de babyboomer veelvuldig afgekat als hyperindividualistische, door sociale voorzieningen verwende burger. De CDA-er was immers een hartstochtelijk voorstander van de Amerikaanse ‘civil society’ waarin sociale zorg in handen van private partijen ligt.
Onder Rutte, gedurende lange schermutselingen over de verhoging pensioenleeftijd, het schrappen van de pensioenindexering en de plannen voor een nieuw pensioenstelsel, kunnen we de babyboomhaters niet bijhouden. Ironische boekjes, artikelen en columns braken de grofste beledigingen uit over egoïsme, rebellie, dominantie, zedenvernieling, godsmoord, individualisme, graaizucht, voorrechten, profiteren en boze kwalificaties waar de rioollucht uit opstijgt. 
Deze kwaadsprekerij stond niet bewust in verband met de pensioenpolitiek maar het schiep een klimaat waarin je eufemistisch gezegd de oudere niet hoefde te sparen. Wel in verband met de pensioenpolitiek stonden beschuldigingen zoals: de oudere heeft niet genoeg betaald voor zijn pensioen, de oudere eet het pensioen van de jongere op. 
Deze beweringen kon men alleen maar doen op grond van nieuwe irreële rekenregels en verdraaiingen in systematiek en (toekomst)doelen. Het is nog steeds de vraag hoe legitiem pensioeningrepen (zullen) zijn gezien de wederzijdse verplichting; knevelarij is geen ouderwets woord.
Na de crisis in 2008 werd er nog anderszins ingegrepen op het welzijn van ouderen. Bejaardenhuizen gingen op de schop en mensen moesten thuis blijven tot laten we zeggen hun laatste dagen op het sterfbed. Nu staat de politiek weer te zeuren dat ouderen hun huizen niet verkopen terwijl de jongeren die zo hard nodig hebben. Enfin dat is een volgend dossier.

Het is bombastisch om een generatie ouderen tot zondebok te maken voor universele noden van het moment en voor specifieke noden van de jeugd. Die ouderen leefden hun leven in hun omstandigheden, mogelijkheden en beperkingen. De meesten deden gewoon hun best en schoten tekort in het realiseren van idealen, precies zoals het gewone mensen vergaat. Zij waren niet opgewassen tegen het speculatieve kapitalisme, de afbraak van sociale voorzieningen en het uitzuigende monetaire beleid.

Sander Schimmelpenninck heeft mij bewust gemaakt van iets wat ik niet onderkende. Namelijk; het zwart maken van ouderen gebeurt vooral door een comfortabele, hoogopgeleide klasse, de alternatieven, de intellectuele BN-ers, werkzaam in opinie en media, heel en half in progressieve of neutraliserende politiek.
Zij beseffen niet dat het roeren in generaties gevaarlijk is. Het roept populisme op. Het bevestigt een ouderenpartij die als de zoveelste loot aan de boom van onvruchtbare identiteitspolitiek functioneert.
Noblesse oblige in het samenleven van generaties is wars van randstedelijk dedain.


Annies einde

IMG_6277Het is ruimschoots September. Het omfloerste Zeeuwse zonlicht valt op het bronzen hoofd van Annie. Een stuk van het brilmontuur is afgebroken. Wat was daar ook alweer mee? Haar forse bril als persoonskenmerk, ja, maar die kapotte bril? Op de plaquette op de sokkel staat: Annie M.G. Schmidt (1911-1995). Weemoed overvalt me. Annie is al vijfentwintig jaar dood. Ze was ouder dan mijn moeder die in 1916 is geboren. Ik heb me nooit gerealiseerd dat Annie ouder was dan mijn moeder. Toen ik zelf vijftig was, leek Annie ook vijftig. Annie werd niet ouder. Ja misschien in dat laatste , allerlaatste, schitterende kettingrokende interview. Lees de rest van dit artikel »


Ode voor Naima El Bezaz

Naima El Bezaz koos op 7 augustus voor de dood. Het voelt onverdraaglijk als ik de lieve woorden lees van onze aimabele Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib, van haar uitgever en van Ahmed Marcouch.
Naima was twee jaar jonger dan mijn dochter. Welke strijd moest zij verliezen, 46 jaar oud? Welke god trok haar zo jong naar zich toe? En wat dacht die god eigenlijk wel.
El Bezaz debuteerde in 1995 met de succesvolle roman ‘De weg naar het noorden’. Zij hoort met Abdelkader Benali en Hafid Bouazza tot de eerste auteurs in de Nederlandse literatuur uit het milieu van gastarbeiders.
Ik kende het werk van deze Marokkaanse-Nederlandse auteur niet. Geen tijd, inderdaad, maar betreurenswaardig.
Ja, ik wist wel van het boek ‘Vinexvrouwen’ uit 2010. Destijds vond ik het fantastisch dat deze vrouw recht voor zijn raap het damesbladleven in (haar eigen) Vinexrijtjes van schone schijn terugbracht tot blote realiteit. Overspel, scheidingen, drank, en drugs traden op in de dagelijkse tredmolen van burgerlijke bluf. Ik moest stiekem lachen om de ophef die haar buren (vrienden) maakten na de publicatie van het boek. Te autobiografisch, pruilden ze zuur.
Intussen heb ik ‘Vinexvrouwen’ en het vervolg ‘Meer Vinexvrouwen’ gelezen. En nu lach ik ronduit.. Want Naima El Bezaz is geestig; ze schittert in haar hilarische bijna burleske vergrootglas.
Zeker, ze is ook vilein. Zelf zegt Naima daarover dat ze alle kritiek op allochtonen wel eens wilde omdraaien. Ze wilde spreken vanuit háár vooroordelen, die vanuit háár afkomst en háár milieu. Maar veel scherper zegt ze en bedoelt ze: Ik schreef de waarheid op, ik schreef op wat ik zag. Mensen werden boos omdat ik het lef had om dat te doen.
Met haar werk, zo begrijp ik nu, vocht Naima El Bezaz voor haar vrijheid, haar zelfbeschikking, haar onafhankelijkheid. Zij zag het als haar recht om de Marokkaanse schaamtecultuur open te breken. Zij sprak openhartig, schaamteloos zelfs over seksualiteit in alle kleuren van de regenboog.. 
Naima El Bezaz’ beroep op dagelijkse vrijheid heeft haar veel leed berokkend. Ze werd als nestbevuiler weggezet. Na het boek ‘De verstotene’ uit 2006 werd ze met de dood bedreigd en iemand op marokko.nl riep op om haar te stenigen en te bespuwen omdat ze ‘ons Marokkanen belachelijk maakt’.
Naima El Bezaz raakte in een diepe depressie.

Ik las de roman ‘De verstotene’. De roman geldt als een verhaal over een moslima die zich aan een conservatief milieu ontworstelt. Maar de werkelijke roman is veel gelaagder en veel wanhopiger.
De Marokkaanse Mina groeit op met haar liefdeloze moeder die na de scheiding van de vader steeds obsessiever haar geloof belijdt en Mina’s zusje daarin meetrekt. Vader woont bij zijn tweede vrouw met hun vijf dochters. Mina heeft een warme relatie met vader en stiefmoeder. 
Later lijkt Mina een redelijk evenwicht te vinden. Ze heeft een man, een goede baan, een huis in een mooie buurt. 
Als het verhaal begint, verbreekt Mina’s man, Mart, plotseling hun relatie. Ze waren tien jaar samen. Mina valt in depressie, eenzaamheid en stuurloosheid. Ze krijgt problemen op haar werk, blijft ziek thuis en dompelt zich onder in drank, slaappillen en anonieme seks. Alleen vriendin Elsa en een psychologe fungeren als reddingsboeien. 
Echte redding is er niet. Mina raakt zwanger van een Joodse man die haar bot afwijst. Ze weet niet wat te doen.. Wil ze het kind houden of niet? Springt ze van het balkon of niet?
Ver naar het einde van de roman blijkt dat Mina, achttien jaar oud, als afvallige gewelddadig door haar familie is verstoten. Dan begrijpt de lezer het hongerige verlangen naar zusje, vader en stiefmoeder, telkens in de zijlijnen van de roman. 
Pas dan ook begrijpt de lezer de volle betekenis van de titel. De hoofdpersoon van het boek wordt niet éénmaal verstoten, door haar familie. Mina wordt ook verstoten door haar man, door haar concurrent op het werk, door de toevallige minnaar, door de allochtone gemeenschap, door de westerse samenleving.
Zoals Mina van de roman als jong meisje in een opstel afrekent met orthodoxe Islamleer; zo laat de auteur van de roman met dezelfde dapperheid zien hoe de allochtone mens in tweespalt verdwaalt.
Naima El Bezaz doet het genadeloos. Oprecht, letterlijk zonder toe te geven aan angst, aan taboes, aan geheimen. Zo verheft zij het groepsconflict tot een groter algemeen menselijk conflict. 
Of het individu kan winnen of moet verliezen, laat Naima niet zien. In de roman besluit Mina dat ze verder wil leven voor haar kind maar ze verliest haar evenwicht als ze wil terugspringen op het balkon. Ze valt de diepte in. 
Haar auteur heeft noch een oplossing noch een verlossing geboden.

Mij raakt de moed van Naima El Bezaz. De moed tot het werk, de moed van het werk, de moed in het werk. De stemmingen van het leven heeft Naima niet kunnen overleven. Maar haar moed verdient een ode aan haar leven.


Oorlogsherdenking in Bosnië

Voor Enisa, Oso, Dzenada, Lela, Zlatan, Jean-Yves

Op 11 juli weet ik in welke huizen de tranen gaan vloeien. Het is niet naast de deur. Of, het is óók naast de deur. Want de Nederlandse mannen en vrouwen die in 1995 aan de rand van de massamoord op ongeveer 8000 moslim mannen en jongens stonden, herdenken net zoals de Bosniakken 25 jaar Srebrenica.
Deze jongens en meisjes van toen moeten onhandelbare nachtmerries in hun hoofd hebben. Dat tenminste kun je zien in de herdenkingsdocumentaire ‘Srebrenica – de machteloze missie van Dutchbat’ op de televisie. De beelden brengen ons schokkend terug in de Servische hel die we 25 jaar geleden moeilijk overzagen.

IMG_0609

Wat niemand kan overzien, is hoe lang en hoe wreed een oorlog kan natrappen.
De Bosnische Burgeroorlg tussen 1992 en 1995, de oorlog die ontbrandde nadat de Federatieve Volksrepubliek Joegoslavië uiteenviel, ging aanvankelijk over onafhankelijkheden maar liep uit in gruwelijke etnische zuiveringen. Het etnisch geweld, genocide tenslotte, werd gemotiveerd door bewust opgezweepte propaganda terwijl de bevolking die etnische strijd niet of nauwelijks ondersteunde.
Mijn Bosnische vriendin vertelt dat nog steeds met opengesperde ogen. Je Servische buurman, met wie je altijd het hout voor de kachel de trap op sjouwde, draait ineens het hoofd af. Dan verschijnen er hoofddoekjes op straat terwijl we onder Tito neutraal zijn opgevoed. Een oude klasgenoot fluistert achter je rug bij de bakker. Iemand vraagt waarom jij geen of wel een hoofddoek draagt.
Net zoals Hannah Arendt plaatst mijn vriendin platte, onnadenkende drijfveren in de wortel van het kwaad: de afkeer voor de moslim moest gewoon mode worden. En dat in een gemeenschap waarin men moslim was door herkomst en traditie.

In de dagen vóór deze Srebrenica herdenkingsdag vraagt de vriend van mijn vriendin om mee te kijken naar de presentatie van een plan voor een medische voorziening in een Bosnisch kanton, het thuisland van mijn vriendin.
Het plan omvat een oncologisch centrum in een regio waar de oorlog huisgehouden heeft met zware fosforbommen, en bommen/munitie met verrijkt uranium. In deze vallei tussen hoge bergen, zaten mensen 1200 dagen opgesloten, omringd door vijandelijke schutters. De atmosfeer was verstikkend. Lucht, bodem, water, voedsel waren vervuild, vergiftigd en besmet.
Veel mensen lijden nu aan kankers, vaak in agressieve vormen. Ook jonge kinderen zijn en worden bovenmatig getroffen.
Het centrum beoogt onderzoek naar voorkomende ziektegevallen en behandeling daarvan met lijnen naar gespecialiseerde instituten in het buitenland.
De noodzaak van zo’n behandelcentrum is zonneklaar. De streek heeft schrale medische zorg, een klein overbelast ziekenhuis met als dichtstbij zijnde behandeltoevlucht het verre Belgrado.
Het plan wordt uitgewerkt door een Franse humanitaire stichting en Bosnische, eertijds gevluchte, mensen in vele landen. Men werft fondsen over de hele wereld met allerlei middelen, via allerlei relaties.

Ik kijk, ik lees. Maar, zeg ik, en dan besef ik hoe Nederlands ik ben, hoe zeer gewend aan democratisch politiek gestuurde voorzieningen. Maar, zeg ik, hier moet de politiek toch een weg banen?
Dan zie je dat de oorlog niet genezen is. Onder een vernis van leven zo goed en zo kwaad als het kan, zit ontwrichting.
Dit Bosnië-Herzegovina functioneert niet. Het heeft geen politiek. Of het kan niets met politiek doen. Het land moest van communisme naar kapitalisme. Het land moest het oorlogspuin ruimen. Het land verdeeld door Dayton in drie entiteiten, moet schipperen met een driedelig presidentschap en een onwillig dreigend Servië. De economie is verlamd. De mensen zijn arm. De werkeloosheid is gigantisch. Veel jongeren trekken weg. Het verdeelde gezag voedt persoonlijke machten die op grote schaal gemeenschapsgelden wegsluizen. En dan zijn er de krachten van buitenaf: Rusland en de US met hun strategieën, Saoedi-Arabië dat goedkoop land opkoopt voor hun immigratie. China die de Balkan verdeelt, vluchtelingenstromen vanuit Griekenland. De toetreding tot Europa is een lange, onzekere weg te gaan.
Door de dagelijkse gesprekken in Bosnië fluistert de angst voor nieuwe oorlog.

Oorlogspolitiek is het vernietigen van politiek op lange termijn.  
Wie geen politiek heeft, wie geen politieke wegen kan bewandelen, is overgeleverd aan liefdadigheid. Wie overgeleverd is aan liefdadigheid is overgeleverd aan andermans belang.
Ik lees nogmaals door de beschrijving van het plan.

IMG_0603

IMG_0613

Op 11 juli staat het leven in Bosnië-Herzegovina stil. De mensen luisteren of kijken naar de herdenking van Srebrenica. Ze huilen om vele dierbare doden om verloren huizen, verloren dieren, verloren vriendschappen, verloren gemoedsrust, verloren verwachtingen, verloren rechten. Ooit moet er een politiek komen die het leven van de mensen eerbiedigt en vooruithelpt. Tot dat moment huilen de mensen op 11 juli over de lange armen van de oorlog.

Ik hoop dat het plan naar echte politiek voert.

         


Vakantiebrieven

Misschien gaan we deze zomer niet naar Frankrijk. Daarom lees ik als literaire reis: ‘Zij namen het woord’ van Margot Dijkgraaf, kleine portretjes van tien ‘rebelse schrijfsters in de Franse letteren’.SONY DSC
Meteen al bij het eerste van Madame de Sévigné overvalt me een weemoedig visioen. Ik keer terug naar Grignan, het dorp dat zich sinds eeuwen ontvouwt tussen heuvels, lavendelvelden, olijfgaarden, dennenbossen van de Provençaalse Drôme. Ik zit op het dorpsplein met uitzicht op de klokketoren gedomineerd door een trotse rode ganzenveer. Daarvóór staat Madame de Sévigné, haar ganzenveer geheven om een brief te schrijven. Helaas zijn onze foto’s van haar beeld omgekomen in een computercrash maar in mijn herinnering dansen lieflijke pijpenkrullen aan weerszijden van haar hoofd.
Boven het dorp, hoog op een rots, staat het immense kasteel van Charles de Grignan, luitenant-generaal van de Provence. Daar woonde hij met Françoise, de dochter van Madame de Sévigné. Daar verblijft de moeder in haar elegante slaapkamer op haar langdurige bezoeken aan haar dochter.
Madame de Sévigné houdt hartstochtelijk van haar dochter. Ze mist haar ieder moment van de dag. Daarom schrijft ze haar 25 jaar lang zo’n twee brieven per week, als ze in Parijs is, als ze langs kastelen reist op weg naar de Provence en zelfs als dochterlief bij haar in Parijs verblijft.
Deze Marie de Rabutin-Chantal (1626-1696) is een opmerkelijke vrouw. Ze wordt in Parijs geboren en is beide ouders al op zevenjarige leeftijd verloren. Een oom en tante nemen haar liefderijk op en geven haar een vrije en voortreffelijke opvoeding.
Op achttienjarige leeftijd trouwt het meisje met de Bretonse markies Henri de Sévigné. Na de geboorte van twee kinderen, dochter Françoise en zoon Charles, vertrekt de markies naar Parijs en laat zijn vrouw achter op het familiekasteel in Bretagne. De markies sterft na een duel om een beruchte courtisane en zo wordt de markiezin, 25 jaar oud, een bemiddelde weduwe. Ze besluit nooit te hertrouwen. Ze keert terug naar Parijs en geniet daar het mondaine leven van een Parijse aristocrate.
De markiezin beweegt zich in toonaangevende culturele kringen. Ze leest grote auteurs, Corneille, Racine, Molière, Boileau, Pascal. Ze is bevriend met enkele schrijvers. Zeker in haar briefwisseling met Madame de Lafayette (schrijfster van de interessante eerste psychologische roman in Europa) ontwikkelt De Sévigné haar literaire stijl. Ze wil niet publiceren maar schrijven is haar drijvende levensbehoefte en ze spreekt vakkundig, liefdevol over taal en stijl.

Madame de Sévigné onderhoudt talrijke schrijfcontacten. Ondanks vele verloren brieven van belangrijke correspondenten zijn er drieduizend pagina’s brieven gepubliceerd. De Nederlandse bloemlezing in de reeks Privé-domein met vooral brieven aan dochter Françoise en enkele aan dierbare familieleden, ken ik bijna van buiten. Ik ben niet de enige. De schitterende grootmoeder van Marcel Proust draagt Sévignés boek op zak en citeert haar bij iedere gelegenheid. Proust zelf wil het liefst in gezelschap van De Sévigné de eeuwigheid ingaan. En de veel jongere Saint-Simon, de heimelijke, hekelende chroniqueur van het hof van de Zonnekoning, adoreert de schrijflustige markiezin in.
Madame de Sévigné is een fenomeen van haar tijd; vanaf haar zeventiende onder de langdurige regering van Lodewijk XIV. Ze schrijft om nieuws en informatie uit te wisselen. Binnen dat kader verschijnt ze als een excellente journaliste van actualiteiten, van politieke verwikkelingen, van hofverhalen maar daarnaast is ze een wandelende kroniek van roddels, modenieuws, raadgevingen voor gezondheid en levensstijl. Oppervlakkig is ze allerminst. Ze spreekt over grote vragen van leven en dood, ze filosofeert over de betekenis van schrijvers en denkers.
Haar immense populariteit dankt de markiezin aan een overrompelende charme, gevoed door openhartigheid, levenslust en vriendschappelijke verhoudingen met al haar relaties. Haar stijl past daarbij. De markiezin schrijft persoonlijk, oprecht, geestig, luchtig, kleurig en altijd beminnelijk.
IMG_6159Beter dan over Madame de Sévigné te spreken is haar zelf aan het woord te laten. Dat heb ik vaak gedaan, bladerend in haar brieven op de correspondentiefestivals in Grignan of lezend bij haar standbeeld onder de glazuren blauwe Provençaalse lucht. Ik leen enkele ontboezemingen uit: Madame de Sévigné, Brieven, Privé-domein, Uitgeverij De Arbeiderspers, 1991.
Zo spreekt ze over haar zoon (in 1671 aan haar dochter)
Gisteravond vertelde hij me dat hij het in de Goede Week zo verschrikkelijk bont gemaakt had in de liefde dat hij er nu een walging van had en dat zijn maag ervan opspeelde; hij wilde er niet meer aan denken, hij was er misselijk van. In zijn fantasie zag hij nog steeds hele partijen vrouwenborsten voor zich; en wat nog meer: tepels, dijen, bergen van zoenen, een overvloed van dat soort zaken, in zo een hoeveelheid dat zijn hoofd ervan in de war was en dat nog steeds is; hij kan geen vrouw meer zien; hij voelde zich als een paard dat zich had overeten aan haver.
Zo spreekt ze over de dood (in 1672 aan haar dochter)
Ik ben in dit leven geworpen zonder dat ik erom gevraagd heb en ik moet dit leven ook weer verlaten; die gedachte doet me beven. En hoe zal ik het verlaten? langs welke weg? door welke poort zal het zijn? En hoe zal ik er dan aan toe zijn? Zal ik dan duizenden pijnen lijden die me in wanhoop laten sterven?
Zo spreekt ze over haar kleindochter die (uitzonderlijk) bij haar in Parijs woont (in 1672 aan haar dochter)
Ik houd ontzettend veel van haar. Ik heb haar laten knippen; ze is nu gekapt als een wildzang en dat kapsel past precies bij haar. Haar teint, haar halsje en haar hele lichaampje zijn wondermooi. Ze kan al heel veel dingetjes: ze praat, ze geeft zoentjes, klapjes, ze kan een kruisteken maken, ze vraagt soms vergiffenis, ze maakt revérences, ze geeft kushandjes, ze haalt haar schouders op, ze danst, ze vleit, ze probeert in de smaak te vallen. Ik wil absoluut niet dat daar een eind aan komt
Zo spreekt ze over de jurk van de maîtresse van Lodewijk XIV (in 1676 aan haar dochter)
Langlée heeft voor Madame de Montespan een japon gemaakt met goud op goud, dat wil wil zeggen goud geborduurd en met goud afgezet en daaroverheen weer een goud borduursel dat vermengd is met een andere kleur goud.; dat was de mooiste stof die ik ooit gezien heb; geen levende ziel had nog zo iets aanschouwd. De jurk moest afgeleverd worden op een even geheimzinnige manier als waarop hij gemaakt was.
Zo spreekt ze over Françoises gezondheid (in 1680 aan haar dochter)
Lieve kind, ben je niet bevreesd over die koude en stijve benen? ben je niet bang dat het op een verlamming uitloopt? En hoe is het mogelijk, in een streek die bekendstaat om zijn warme baden? Hoe komt het dat je niet meer aandacht besteedt aan je arme benen en dat je geen pijn voelt?
Zo spreekt ze over de lente (in 1690 aan haar dochter)
Wat denk je nu dat sinds acht dagen de kleur van de bomen is? Antwoord maar eens. Je zegt natuurlijk groen. Helemaal niet! Het is rood. Het zijn kleine knopjes die gereedstaan om uit te komen en die een echte roze tint hebben. En vervolgens komen er overal kleine blaadjes naar buiten. Omdat dit onregelmatig gebeurt, geeft het een allerleukste mengeling van groen en roze.

Wel of niet naar Frankrijk dit jaar? Het zou wat. Madame de Sévigné helpt me daar wel overheen.


(G)empathie

Voor mijn zusje dat van zorgen en helpen weet

Mij hoorde je de mensen in de zorg niet aanspreken met het geëxalteerde woord ‘held’. Natuurlijk bewonder ik professionaliteit en affectieve inzet. Van zorgmensen evengoed als die van de stratenmaker of loodgieter of kassamevrouw.
Maar de nieuwe ‘slogan’ in coronatijd: ’helden van de zorg’ irriteert me. Ik geneer me voor deze gelegenheidsempathie. Lees de rest van dit artikel »


Memento mori

Het is alsof we de dood niet langer accepteren, stond als kop boven een interview met een filosoof die vraagtekens zet bij de ‘intelligente lockdown’.
De suggestie in die kop wekt mijn wrevel op. Ik besef dat de filosoof van dienst vragen stelt. Maar de impliciete vraag: hoeveel verlies willen we dragen voor hoeveel mensenlevens hoeven we niet te verstoppen achter zo’n bot cliché.
Trouwens de kale bewering dat mensen de dood niet meer zouden accepteren, vind ik intellectueel hautain. Lees de rest van dit artikel »


Kort (levens)verhaal

Voor: Cees, Jolijn, Jos, Juultje, Peter, Vera

Ieder avond om acht uur luister ik naar het Decamerone-verhaal van de dag. Het is een ritueel moment. Zoals een tiental jonge mensen rond 1350 Florence ontvluchtten voor de pest en elkaar in hun afzondering verhalen vertelden, zo luister ik in mijn afzondering naar de luimige lusten van die verre veertiende-eeuwse medemensen. Lees de rest van dit artikel »